homepage Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft

overzicht projecten TU-wijk

uitgebracht aan de Arbo- en Milieudienst van de TU Delft door Stichting Commissie Natuur en Milieu Delft / januari 1999

verslag over 1997 (PDF, 160 Kb) | verslag over 1999 | ind@datadelft.com

Inleiding | Bevindingen | Observaties | Aanbevelingen

Inleiding

Overeenkomstig de afspraak van 10 december 1996 presenteren wij u de waarnemingen en observaties betreffende de Thijssevaart over 1998. De monitoring van de vijver voor het gebouw van Werktuigbouwkunde (Mekelweg 2) hebben wij ook deze keer, evenals in het verslag over 1997 nog achterwege gelaten. Bij de aanbevelingen komen we op deze oever terug.

De waarnemingen aan macrofyten en macrofauna van oevers en water van de Thijssevaart zijn weergegeven in Bijlage 1 (Bemonstering Thijssevaart / mei augustus 1998). In Bijlage 2 vindt de verwerking van deze gegevens plaats in de vorm van een bepaling van het ecologisch profiel op basis van de aangetroffen macrofyten en een Biotische Index op basis van de aangetroffen macrofaunagroepen.

Gegevensverzameling

De vastlegging van de waarnemingen is zodanig dat in latere jaren aanvullende analyses van de natuurwaarden en de milieukwaliteit zijn uit te voeren. Van de vegetatie zijn immers niet alleen de soorten opgetekend, maar ook de mate van voorkomen (abundantie).

Het hier toegepaste beoordelingssysteem beperkt zich tot het water. Analyses van de natuurontwikkeling, bijvoorbeeld via analyses van plantenassociaties en/of berekening van natuurwaarden kunnen alsnog plaatsvinden. Over de ontwikkeling van flora en fauna beperken wij ons tot enige observaties.

De bemonstering aan de Thijssevaart is zowel uitgevoerd voor de gehele noordelijke oever, als voor twee opnamestroken van 50 meter (een ten oosten en een ten westen van de Thijsseweg; zie Figuur 1). Voor de breedte van de bemonsteringsstrook werd de gehele plasberm, plus een strook van ca een halve meter van het diepere water plús een strook van 1 meter boven de waterlijn aangehouden.

De macrofauna werd alleen bemonsterd in de oeverzone van de twee opnamestroken. Daarbij werd gebruik gemaakt van een standaard net met een opening van 30 bij 15 cm.

De gegevens zijn opgenomen in Bijlage 1.

De zuidelijke oever van de wéstelijke Thijssevaart werd niet bemonsterd omdat het terrein aldaar niet of moeilijk toegankelijk is (Waterloopkundig Laboratorium). De vegetatieontwikkeling is er bovendien zeer bescheiden.

Beoordelingssysteem

Een volledige toepassing van het STOWA-beoordelingssysteem vergt dat bij de verzameling van de gegevens ook macofauna en epifytische diatomeeën (kiezelwieren) op soortniveau worden gedetermineerd. Een partiële toepassing (door bijvoorbeeld alleen macrofyten in het systeem in te voeren) brengt enig risico met zich mee wat betreft de waterkwaliteitsbeoordeling, maar achten wij in het kader van dit verslag acceptabel; de beoordelingstabel laat daar overigens ook enige ruimte voor. De grotere onnauwkeurigheid en ook het weglaten van enkele belangrijke karakteristieken (m.n. saprobie) kan ook al voor lief worden genomen omdat het Hoogheemraadschap van Delfland de Thijssevaart in het kader van een vierjarige onderzoekcyclus in zijn programma heeft opgenomen. In dat kader is de Thijssevaart in 1997 voor alle onderdelen van het STOWA-systeem door het hoogheemraadschap bemonsterd.

foto's: Leen van Doorn

Bevindingen

Beoordeling

Het STOWA-beoordelingssysteem onderscheidt de volgende kwaliteitsniveaus:
I beneden laagst
II laagst
III middelst
IV bijna hoogst
V hoogst.

De berekening levert de volgende beoordelingen op:

Thijssevaart west:

karakteristiek

kwaliteitsniveau '97

(beoordeling Delfland '97)

kwaliteitsniveau '98

trofie

III

II

II

waterchemie

III

III

III

structuur

IV

III

V

variant-eigen karakter

II

III

II

Thijssevaart oost:

karakteristiek

kwaliteitsniveau 1997

kwaliteitsniveau 1998

trofie

III

II

waterchemie

III

III

structuur

III

IV

variant-eigen karakter

III

III

De Thijssevaart is dus, als men er zo nodig één cijfer aan wil verbinden, te rekenen tot het middelste kwaliteitsniveau. Maar interessanter is het opzienbarende feit dat bij een toch vrij ongunstige mate van trofie een zeer goede vegetatiestructuur en een veelsoortige macrofauna (zie tabel 1b) kan bestaan.

Kanttekening bij de bemonstering

Bij de bemonstering van de macrofauna moest om praktische redenen worden afgeweken van de voorgeschreven gedragslijn. Het oostelijke gedeelte van de oevers van de Thijssevaart kent een dermate dichte begroeiing met helofyten dat geen watermonsters genomen kunnen worden zonder de vegetatie te beschadigen. Daarom werd over een een grotere lengte dan 50 meter bemonsterd en wel op de schaarse plekken waar zich een opening in de vegetatie bevond.

Het kroosdek aan het oostelijke eind van de westelijke Thijssevaart maakte op die plaats opnamen van de macrofauna zinloos: de dieren zijn verdwenen (de macrofauna die kan vliegen, zoals wantsen en volwassen kevers kiezen in zulke omstandigheden bijvoorbeeld het luchtruim). De macrofauna-monsters werden daarom genomen vanaf het einde van het kroosdek.

Commentaar; onderzoek van het Hoogheemraadschap van Delfland

In november kwam de rapportage "waterkwaliteit intermitterend meetnet" van het Hoogheemraadschap van Delfland gereed. In 1994 is het waterschap op de STOWA-methodiek overgestapt, waarbij elk jaar een kwadrant van het gebied wat nauwkeuriger onder de loep wordt genomen.

Het intermitterend meetnet bestaat uit ongeveer 200 meetpunten; daarnaast is er nog een basismeetnet voor het hele Delflandse gebied met enkele tientallen meetpunten.

De resultaten van al dat gemeet vallen niet mee. Slechts 7% van de onderzochte wateren (4 sloten, 8 meren en een zandput) haalde, gelet op de functie van het water, een vol doende ni veau (d.i. minimaal het middelste niveau van de STOWA-methode). De watergangen met een redelijke ecologische kwaliteit bevonden zich in nieuwe stedelijke gebieden, waar een pionierssituatie bestaat ((nog) geen dikke baggerlaag) en waar weinig of geen belasting met meststoffen plaatsvindt.

De grootste problemen zijn 
- de hoge trofiegraad (overmatige voedsel rijk dom)
- de toestand van de oevers (vaak geen plaats voor begroeiing), en
- het inlaten van gebiedsvreemd, voedselrijk water in polders.

Plaatselijk is verder de afbraak van organisch materiaal en de zuurstofhuishouding een probleem, vooral in stedelijke gebieden. In glas tuinbouwgebieden is het water veelal giftig.

Het rapport somt de bekende remedies op voor het weerbarstige waterkwaliteitsprobleem van Delfland: aanpak van vervuilingsbronnen (glastuinbouw, vuiluitworp van rioolstelsels en effluenten van zuiveringen), wegwerken van de baggerachterstand en ontwikkeling van het structuurspoor.

Het verschil met de beoordeling door Delfland wat betreft trofie (althans in 1997) en structuur wordt mede veroorzaakt door het feit dat de monsterstrook van Delfland helemaal aan de oosthoek van de westelijke Thijssevaart ligt; door de heersende westenwinden drijft hier nogal wat ontbindend organisch materiaal naar toe, waardoor hier een zeer voedselrijke zone is ontstaan. De grote abundantie van Liesgras op die plek illustreert dat. Deze monsterstrook voldoet evenwel niet aan de eis dat het om een homogeen, representatief deel van de oever moet gaan.

Ten opzichte van nabijgelegen water dat Delfland jaarlijks bemonstert, scoort de Thijssevaart met kwaliteitsniveau III beter. Het water in het Rijn-Schiekanaal ter hoogte van het Kruithuis heeft de laatste jaren het beneden laagste kwaliteitsniveau. Hierbij moet wel bedacht worden dat het Rijn-Schiekanaal een dynamisch, drukbevaren vaarweg is die bovendien, als onderdeel van Delflands boezem, onderhevig is aan veel ongunstige externe factoren; omdat ook de structuur van beide watergangen totaal verschillend is, maakt dat de vergelijking overigens niet erg zinvol.

De verbetering van de kwaliteit van het rivierwater, dat bij Leidschendam in Delflands boezem wordt ingelaten, is, ondanks de veelvuldige inlaat van dit water, nog niet te bespeuren. De slechte waterbodems en de te hoge emissie in het gebied zelf spelen hierbij een rol.

Het is, gelet op de pioniersfase waarin de oevers van de Thijssevaart zich nog bevinden, prematuur om de bevindingen aan de Thijssevaart te beschouwen als definitieve bevestigingen van de conclusies uit andere onderzoekingen dat natuurvriendelijke oevers een aanmerkelijk gunstig effect hebben op de waterkwaliteit of, anders gezegd, de veerkracht van het watersysteem aanmerkelijk vergroten. Het beheer is daarin bovendien ook een belangrijke variabele.

De hoge beoordeling van de karakteristiek structuur van de westelijke Thijssevaart zou er op kunnen wijzen dat een bredere plasberm gunstiger is. Daar staat tegenover dat de macrofauna in het oostelijke deel een rijkere variatie kent. Ook een betrekkelijk smalle oeverzone bij de onderwaterschoeiing kan dus dankbare resultaten opleveren! (zie aanbeveling 3.2).

 

Observaties

Waterdoorstroming en kwel

Ten tijde van de waarnemingen, maar ook op andere dagen dat de Thijssevaart bezocht werd, werd geen stroming als gevolg van bemaling waargenomen. Op grond van het - in vergelijking met 1997 - mindere doorzicht van het water en het feit dat 1998 een nat jaar was, maken we op dat er gedurende het jaar meer doorstroming van (vuil) water heeft plaatsgevonden dan in 1997. Een strook van ongeveer 100 m van de westelijke Thijssevaart was bovendien afgedekt door een dichte laag van Klein kroos, die was ontstaan door aanvoer van het kroos uit nabije zijsloten. Dit vormt een reden te meer om aandacht aan de andere watergangen in het gebied te besteden (aanbeveling 3.2).

Het gebied waarin de Thijssevaart ligt wordt niet begunstigd door kwel. De onttrekking van ca 13 miljoen m3 diep grondwater door Gist-Brocades NV vindt vooral in het zomerhalfjaar plaats; tijdens het groeiseizoen vindt in een gebied tot enkele km ten zuiden van Delft zijging plaats.

Rietaanplant

Bij de aanleg van de oevers van het oostelijke gedeelte werd in oktober 1994 een strook van ca. 150 meter ingeplant met rietstekken. Bij het ontwerp werd overwogen dat, als ergens erosie in dit gedeelte zou kunnen optreden, het wel hier zou zijn.

Later bleek dat erosie op die plaats geen kans kreeg. Door de hoge ligging van het maaiveld ligt de noordelijke oever volkomen in de luwte, ook bij zuidwester storm.

Nog verrassender was het gedrag van de Rietstekken. Noch in het groeiseizoen 1995, noch in 1996 leken de planten aan te slaan. Vitale Rietplanten kwamen slechts in geringe dichtheden voor. In 1997 kwam deze aanplant tot volle wasdom en was een fraaie rietkraag ontstaan, die zich nu verder uitbreidt.

Effect van maaisel

In de zomer van 1995 werd maaisel uit de Maaslandse vlietlanden op de noordelijke oever uitgespreid met de bedoeling de verspreiding van streekeigen soorten te bevorderen. Deze maatregel heeft vooral effect gehad op de vegetatie boven de waterlijn. Daar treedt vanaf de winter 1995/96 met grote abundantie de Grote ratelaar (een éénjarige halfparasiet) op, terwijl ook het vrij grote aantal vestigingen van de Dotterbloem en Reukgras opvalt. In kleine aantallen hebben zich Rietorchis, Moeraskartelblad (een aan veen gebonden zeldzaamheid, die in 1998 niet meer is teruggekeerd), Echte koekoeksbloem en Padderus gevestigd, die alle aan het maaisel zijn toe te schrijven.

Deze plantengemeenschap vertegenwoordigt een hoge natuurwaarde, die zelden buiten natuurgebieden is aan te treffen. Of dit vegetatietype zich zal handhaven zal de nabije toekomst wel leren. Naast de bodemeigenschappen speelt ook het maaibeheer, dat de onderlinge concurrentie van planten beïnvloedt, een rol.

Ontwikkeling van flora en fauna

De vegetatie van oevers en water is iets soortenrijker geworden. Dit komt tot uititng in een hoge score voor structuur in het STOWA beoordelingssysteem.

In de volgende tabel stippen we wat ontwikkelingen aan:

verdwenen: Grote kroosvaren, Moeraskartelblad

verschenen: Grof hoornblad, Smalle waterpest, Rode waterereprijs

afgenomen: Echte koekoeksbloem

toegenomen: Watervorkje, Kale jonker, Dotterbloem, Rietorchis, Gewoon reukgras, Klein kroos

waterspons

Dotterbloem

Echte koekoeksbloem

Wat de fauna betreft verwijzen we naar bijlage 1 voor de informatie over de macrofauna en naar de losse waarnemingen. Opmerkelijk was de vondst van een zoetwaterspons.

Vegetatiestructuur

(Voor de met een hoofdletter aangeduide plaatsen langs de oever verwijzen wij naar Figuur 1.)

In het oostelijk deel van de Thijssevaart is een oeverbegroeiing ontstaan die tamelijk homogeen is. De smalle strook tussen waterlijn en onderwaterschoeiing is bezet door planten met een verticale groeistrategie, die bovendien veel biomassa vormen en de oever goed vastleggen: Riet, Grote lisdodde, Heen en, in mindere mate, Harig wilgeroosje. De vegetatie is bovendien zo dicht geworden, dat het moeilijk is vanaf de landkant monsters te nemen.

In het westelijk deel is het beeld gevarieerder. In de stroken D, E en F is een begroeiing van de plasberm ontstaan die niet aaneengesloten is, maar een boeiende afwisseling te zien geeft van groepen helofyten en van open gedeelten, waar onderwaterplanten en jonge vis volop te vinden zijn.

Behalve de plantensoorten die in het oostelijk deel de oever vastleggen vervullen hier ook Liesgras, Kleine lisdodde, Gewone waterbies en Moerasandoorn deze rol. Precies op de waterlijn komen ook betrekkelijk veel Pitrus, Waterzuring en Dotterbloem voor en enkele exemplaren Ruwe smele en Waterscheerling. Riet, Pitrus en Liesgras koloniseren hier en daar ook een aanmerkelijke strook boven de waterlijn.

Op de oeverstrook H, die nogal beschaduwd wordt door hoog opgaande begroeiing op het terrein van het Waterloopkundig Laboratorium, komt de oevervegetatie moeizaam tot ontwikkeling. Op de waterlijn begint het Harig wilgeroosje nu een bescheiden oeverdediging te vormen. De strook I, die toch ook flink beschaduwd is, laat wel weer plaatselijk een goede ontwikkeling van oeverplanten zien.

In de Thijssevaart ontwikkelt zich elke zomer in de diepere gedeelten een fraaie vegetatie van Watergentiaan. Deze drijfbladplant belemmert de waterdoorvoer nauwelijks en draagt er door de beschaduwing van de waterkolom toe bij dat kolonisatie door helofyten en onderwaterplanten weinig kans krijgt. Een al te dichte bedekking kan echter ook zuurstofloosheid veroorzaken.

Op enkele plaatsen langs de Thijssevaart nabij de insteek van het profiel, treedt woekering van Akkerdistel op.

Figuur 1. De verschillende zones (A tot en met N) van de Thijssevaart.

Verlanding en erosie

Ondanks de homogene vestiging van helofyten in de plasberm van het oostelijke gedeelte van de Thijssevaart is de plasberm er nog niet 'verland': tussen de stelen van de planten is nog ruimte, waar vis kan paaien en waar zich jonge vis en macrofauna kunnen ophouden.

In het westelijke stuk heeft hier en daar wel verlanding plaatsgevonden. Door een combinatie van vegetatieontwikkeling en aanslibbing is ter plaatse de waterlijn opgeschoven tot aan de onderwaterschoeiing.

Deze schoeiing blijkt een effectieve (én qua onderhoud goedkope!) manier om kolonisatie van dat gedeelte van de watergang, dat tot het watervoerende doorsnede behoort, te voorkomen. De meeste helofyten vinden het 'afstapje' kennelijk te groot.

Op de oeverstrook H is door het ontbreken van oeververdedigende planten vooral in de winter 1996/97 door schurend ijs oevererosie opgetreden. De plasberm is er plaatselijk soms ruim een meter breder is geworden.

Verder treedt ook enige erosie op in strook F. Hier is de erosie vooral verticaal: door turbulenties, die ongetwijfeld te maken hebben met de ertegenover liggende sloot, wordt de plasberm verdiept. Het oeverprofiel is in 1998 niet wezenlijk veranderd.

Aanbevelingen

Onderzoek

NIJMEGEN (NL) - "Het huidige beheer van het water peil is verre van natuurlijk en vormt daarmee een grote bedreiging voor het soortenrijk rietmoeras." Deze conclusie trok promovendus John Lenssen van het Nederlands Instituut voor Oecologisch onderzoek. Hij onderzocht waar om op zorgvuldig beheerde oevers de oorspronkelijke begroeiing niet wil aar den. Het peil in de Nederlandse wateren is afgestemd op de landbouw. Het wisselt niet of enkel tegengesteld aan de natuurlijke situatie: 's winters kunstmatig laag en 's zomers kunstmatig hoog. Moerasplanten zoals het moerasvergeet menietje zijn kwetsbaar. Tegenover stromingen zijn eenmaal gekiemde moerasplanten beter bestand dan de directe concurrentie: sterke ruigtekruiden zoals de brandnetel. Het waterbeheer belemmert schommelingen in het peil. Daardoor moeten vele moerassoorten het afleggen en verdwijnt de variatie. Lenssen promoveerde 14 december in Nijmegen bij de fa culteit Natuurwetenschappen.

Aanbeveling 1.1. De matige vegetatieontwikkeling op beschaduwde plaatsen gaat gepaard met oevererosie. Hoe die erosie verloopt is op zichzelf het bestuderen waard. Door een deel (zeg 100 m) van de nagenoeg onbegroeide plasberm (strook H) met rietstekken in te planten, wordt dit studiethema nog enigszins verbreed: hoe ontwikkelt een ingeplante oever zich in een beschaduwde situatie?

Aanbeveling 1.2. Recent onderzoek (zie inzet) bevestigde nog eens dat de oevervegetatie baat heeft bij een wat dynamischer peilbeheer. De TU-wijk biedt goede gelegenheid om op dit aspect experimenten uit te voeren.

 

Beheer

Op enkele plaatsen hebben zich als gevolg van gedrag van gebruikers of pachters ongewenste ontwikkelingen voorgedaan:

* De oeverbegroeiing van strook A is in 1997 door begrazing en vertrapping door paarden geheel verdwenen. Begrazing van oevers kan uit een oogpunt van natuurontwikkeling zeer gewenst zijn, maar dan gaat het om begrazing in zeer lage dichtheden (bijvoorbeeld één dier per twee hectaren). De oevervegetatie heeft zich in 1998 nog niet hersteld. Omdat er evenmin erosie is opgetreden is ingrijpen niet nodig.

* Een gebruiker (de manege) heeft bij de stroken H en I bespuitingen op de akkerdistels op het grasland uitgevoerd. Door drift zijn de bestrijdingsmiddelen ook in de oever terecht gekomen. Vooral de Grote ratelaar toonde zich hier erg gevoelig voor.

Ratelaars op half acht.

Deze ontsporingen leiden tot de volgende aanbeveling:

Aanbeveling 2.1. Bij de verpachting of ingebruikgeving van TU-gronden is het dienstig de gebruiker ook met betrekking tot het beheer van zulke oevers gedragsregels mee te geven.

Een illuster gezelschap ...

Maaibeheer

Na grondwerk op droge voedselrijke grond treedt vaak woekering van Akkerdistel op. Bij de insteek van de Thijssevaart is het al niet anders. Vanuit het oogpunt van natuurontwikkeling is zo'n woekering geen probleem; de Akkerdistel biedt levenskansen aan vele insecten. Het uitzaaien over agrarische gronden kan wel een probleem vormen, maar gronden met deze functies liggen niet meer in de nabijheid.

Aanbeveling 2.2. Bestrijding van akkerdistels is in het algemeen af te raden, omdat het risico bestaat dat het voorkomen van akkerdistels er juist door bevorderd wordt.

Voor de plasbermen en het vochtige deel van de oevers boven de waterlijn is het tot nu toe gevoerde, zeer extensieve beheer succesvol geweest. Vanuit een oogpunt van milieubeheer is het periodiek maaien van de helofyten nuttig omdat daarmee nutriënten uit het systeem worden gehaald. Nadeel van het maaien in de nog zeker niet voltooide pioniersfase is dat grasachtige helofyten worden bevoordeeld en dat de rijke structuur verloren zou gaan. Tussen deze beide overwegingen moet worden gelaveerd.

Aanbeveling 2.3. Voor het onderhoud van de oevervegetatie in plasbermen en rond de waterlijn kan volstaan worden met het eens in de twee jaar gefaseerd (in afwisselende stroken dus) maaien. De grazige vegetatie boven de oeverlijn kan eens per jaar worden gemaaid. Het maaisel moet in beide gevallen worden afgevoerd.

Nieuwe projecten

Volgens een in december 1998 getekend convenant zullen de TUD en de gemeente Delft samenwerken. De verstedelijking van de TU-wijk zuid is daardoor dichterbij gekomen; dat biedt kansen voor een vernieuwende aanpak.

Aanbeveling 3.1. Het is zaak de reeds getroffen ecologische inrichtingsmaatregelen te beschermen en uit te breiden en ook op het gebied van het beheer de activiteiten goed met de gemeente af te stemmen. Aandacht voor deze onderwerpen in het convenantoverleg met de gemeente Delft is dringend nodig.

Aanbeveling 3.2. Gelet op de gunstige ontwikkeling van de oostelijke Thijssevaart (met een smalle plasberm) loont het de moeite om ook in situaties met weinig ruimte natuurvriendelijke oevers aan te leggen.

Vijver Mekelweg 2

Door de geïsoleerde ligging is een snelle, spontane bezetting van de plasberm met helofyten niet waarschijnlijk. Het uitleggen van maaisel uit de Vlaardingse vlietlanden (in 1997) heeft uitsluitend een gunstig effect gehad op de begroeiing op en boven de waterlijn. Het beplanten van de plasberm is tot twee maal toe door ganzenvraat mislukt.

Aanbeveling 4.1. Om de impasse te doorbreken - wij hechten daar sterk aan, want het is plek waar veel mensen vertoeven en op uit kijken - stellen wij voor om met ingang van 1 maart a.s. de plasberm gedurende zes weken droog te laten vallen.

Rietorchis en Grote ratelaar

Leen van Doorn, Jacques Schievink, 17 februari 1999