stichting Commissie Natuur
en Milieu Delft
secretariaat: Bizetstraat
23, 2625 AV Delft, tel. 015 2561141 / e-mail
lc.doorn@hccnet.nl
Delft, 25 februari
2007
Betreft: Zienswijze
aangevraagde bouwvergunningen Maerten Trompstraat en Piet
Heinstraat, kavels 1 tot en met 6 en kavel 7
Het college van Burgemeester
en Wethouders van Delft
Postbus 78
2600 ME Delft
Geacht college,
De in de Stadskrant van 17
februari 2007 door u gepubliceerde aanvraag voor een
bouwvergunning Maerten Trompstraat is voor ons aanleiding
nog eens de overweldigende bezwaren op een rijtje te zetten.
De strijdigheid van het plan met het ecologiebeleid en met
het ruimtelijk en duurzaamheidsbeleid van de verschillende
overheidslagen, de strijdigheid bovendien met de belangen
van de bewoners van het TU-noordgebied en die van de
zeeheldenbuurt in het bijzonder, zijn dermate evident dat
verlening van de aangevraagde bouwvergunning niet moet
worden overwogen.
1. Formele gebreken van de
aanvrage
a. Het is opvallend dat de
gemeente zoveel tijd laat verlopen tussen het tijdstip
waarop de indieners de bouwvergunning aanvragen en het
publiceren van de aanvrage in de stadskrant. Het bevordert
in elk geval niet dat zich bij ons gedachten postvatten als
zou de gemeente zich niet verlagen tot juridische
behendigheden die aan de inhoudelijke behandeling van de
aanvragen afbreuk zouden kunnen doen.
b. Het ontwikkelingsplan
Mijnbouwstraat/Maerten Trompstraat stelt als voorwaarde dat
het bouwplan met één opdrachtgever en in
één bouwstroom wordt verwezenlijkt. De
aanvraag voor de bouwvergunning voldoet niet aan deze
voorwaarde.
2. De aanvrage voor deze
bouwvergunning houdt verband met het Ontwikkelingsplan
Mijnbouwstraat/Maerten Trompstraat. Dit ontwikkelingsplan
voldoet echter geenszins als ruimtelijke onderbouwing van
het bouwplan waarvoor hier een aanvrage wordt
gedaan.
a. In dit ontwikkelingsplan
worden andere ontwikkelingen in de buurt niet op hun
effecten voor het woon- en leefklimaat in de buurt
onderzocht. Deze ingrijpende ontwikkelingen, zowel in het
TU-noord bestemmingsplangebied als in de (directe).
nabijheid daarvan worden zelfs niet genoemd.
De meest in het oog
springende zijn de herinrichtingen en vervangingen van
gebouwen van de TU Delft. In het TU-noordgebied richten
gemeente en projectontwikkelaars zich op het vestigen van
2099 nieuwe woonruimten, warvan ca 1400 studentenwoningen op
ca 150 meter afstand van het terrein van dit bouwplan. In
het TU-middengebied, op 400 meter afstand van het terrein,
worden in 2009 de nieuwe vestigingen geopend van de Haagse
Hogeschool en van de Hogeschool Inholland, die met hun vele
honderden medewerkers en in totaal 3000 studenten het fraaie
overgangsgebied tussen de universiteit met vele
verkeersbewegingen en milieubelasting onder grote druk
zullen zetten.
Door een verandering van de
verkeerscirculatie in het geied zal het verkeer in de
Maerten Trompstraat sowieso verdrievoudigen (zie het lokaal
verkeers- en vervoersplan).
Naast deze zeer nabije
intensiveringen die maken dat het bouwplan ten koste van de
stadsnatuur onacceptabel is, kan ook nog gewezen worden op
tal van andere nabije intensiveringen die van slechte
invloed zijn op het leefklimaat van het TU-noordgebied en
dus ook op het westelijk deel van dit gebied: de
monsterlijke Zuidpoort van de binnenstad, de uitbreiding van
Ikea (Delftse Poort zuid), het TNO-terrein en de
ontwikkeling van Technopolis. Ook dit alles wordt in het
ontwikkelingsplan niet eens genoemd. Wie dan ook nog bedenkt
dat m.n. de luchtkwaliteit door de mogelijke komst van de
verlenging van rijksweg A4 aan de westkant van de stad (met
grotere gevolgen dan de aan de oostkant geleden A13) en de
erts- en graanoverslag op de Tweede Maasvlakte erop van
invloed zullen zijn, houdt zijn hart vast voor de bewoners
en de natuur in deze gehele regio.
b. In het ontwerp
bestemmingsplan TU-noord worden op zijn beurt de plannen in
de omgeving van dit bouwplan niet op hun effecten
onderzocht, omdat in dat plan het ontwikkelingsplan als
gegeven wordt beschouwd (zie p. 26: "de herontwikkeling van
het terrein achter het Mondriaancollege wordt beoogd de
ruimtelijke structuur van de buurt af te ronden en daarmee
het gebied tevens een kwaliteitsimpuls te geven. Voornoemde
ruimte voor woningbouw vloeit voort uit het
ontwikkelingsplan Mijnbouwstraat/Maerten Trompstraat dat is
vastgesteld door de gemeenteraad op 25 januari 2006. In het
ontwerpbestemmingsplan TU Noord is het vastgestelde
ontwikkelingsplan Mijnbouwstraat/Maerten Trompstraat
opgenomen.") Maar zelfs in deze cirkelverwijzing wordt over
het hoofd gezien dat in het Ontwikkelingsplan de reden voor
het bouwplan is dat "met de verkoop van de grond de
verbouwing van het schoolgebouw wordt gefinancierd (p. 4)",
niet het tot stand brengen van het bouwplan zelf. Daarom is
het bouwplan planologisch ook niet verdedigbaar. (De
directeur van ROC-Mondriaan speelde daarbij in op de zwakke
onderhandelingspositie van het gemeentebestuur, dat
gemakkleijk onder druk kon worden gezet met het argument dat
als de waardevermeerdering door bestemmingswijziging niet
tot stand zou komen, de vestiging naar elders zou
vertrekken. Omdat dat "elders" toch alleen maar zeer nabij,
in Delft zelf of in een buurgemeente zou zijn, zou het voor
de regio en het regionale onderwijs ook geen probleem
geweest zijn - alleen een stadsbestuur dat "alles" naar
Delft wil halen is chantabel.)
c. Ruimtelijke onderbouwing
met machteloos jargon als "kwaliteitsimpuls" en "afronding
van de ruimtelijke structuur" volstaat vanzelfsprekend niet
(men zou de schrijvers van zulke teksten een cursus
Nederlandse taal toewensen), zeker niet als men bedenkt dat
de afbraak van het gemeentelijk bosplantsoen en de spontane
natuur op het schoolplein door bewoners en natuurbeschermers
juist wordt gezien als een aanval op de kwaliteit van de
buurt en als een aantasting van het subtiele en fraaie
stadsbeeld. In bestuurdersjargon: als een aantasting van de
ruimtelijke kwaliteit. Men verandert de belommerde omgeving
in een belazerde omgeving, dit ook tot verdriet van de
welstandscommissie (p. 13) die vervolgens volkomen overschat
dat het handhaven van de dubbele bomenrij ook maar in de
schaduw kan staan van de rijke stadsnatuur die er was (en
hersteld zal moeten worden). Uit andere plandocumenten is
overigens duidelijk geworden dat het Delfts gemeentebestuur
het woord "kwaliteitsimpuls" gebruikt als synoniem voor het
vervangen van groen door bouwwerken, en bij deze definitie
is het argument van de kwaliteitsimpuls teruggebracht tot
het argument dat het bij het bouwplan om een bouwplan gaat.
d. In de tekst van het
Ontwikkelingplan is sprake van "extra" speelruimte (p. 7)
voor de jeugd van de buurt op het deel van het terrein dat
na de realisatie van het bouwplan zou resteren. Niet alleen
is dit een toezegging die gezien de weigerachtigheid van ROC
Mondriaan een geheel loze toezegging is, maar het woordje
extra is toch wel bijzonder merkwaardig omdat in deze
situatie juist enkele duizenden vierkante meter speelnatuur
aan het gebruik door de jeugd wordt onttrokken. In het
Ontwikkelingsplan wordt (op p. 12) opgemerkt dat de
toegankelijkheid van het terrein niet uitnodigend is, maar
dat is jarenlang door de jeugd en veel bewoners toch echt
anders beleefd.
e. In het Ontwikkelingsplan
wordt het voorgesteld dat er een unieke kans is het
"individueel opdrachtgeverschap" (bedoeld wordt
waarschijnlijk "particulier opdrachtgeverschap") een kans te
geven. Het argument is weinig overtuigend als onderbouwing
voor dit speciale bouwplan, omdat in andere, veel grotere
bouwplannen van Delft (tot 2015 ca 4000 woonruimten) in het
geheel geen ruimte wordt gegeven aan zulk opdrachtgeverschap
- de samenwerking met de projectontwikkelaars is kennelijk
zo innig dat deze hartstochtelijke voorkeur verder niet
gevolgd wordt - maar het suggereert voorts ten onrechte dat
de vorm van het opdrachtgeverschap deel zou kunnen uitmaken
van de "ruimtelijke onderbouwing".
f. De aanvraag voor de
bouwvergunning maakt niet aannemelijk dat het bouwplan
spoedeisend is. Derhalve is er geen reden om via een
planologische vrijstelling vooruit te lopen op de
vaststelling en toetsing door de provincie van het
bestemmingplan TU-noord.
Enkele andere thema's in het
ontwikkelingsplan kan men rekenen tot het algemene beleid
van de gemeente Delft. We geven er de voorkeur aan die dan
ook thematisch te becommentariëren.
3. Democratische
legitimatie
In de programma's van de
politieke partijen voor de gemeenteraadsverkiezingen kwam
het ontwikkelen van bouwlokaties nauwelijks aan bod, noch in
2002, noch in 2006. Een verplichte buiging naar de kiezers
komt er in de programma's op neer dat "inbreiding" niet ten
koste mag gaan van het groen. Hierdoor is er een kloof
tussen het verwachtingspatroon dat burgers hebben als zij
ter stembus gaan, en wat het praktische handelen van de
gemeente inhoudt. Daar zit het collegeprogramma
(coalitieacoord) nog tussen, maar zelfs daarin kan men voor
het Ontwikkelingsplan geen rechtvaardiging vinden,
integendeel. Wat er in dat document nog het dichtste bijkomt
is een passage op p. 12: "In alle bouwprojecten gebruikt
Delft de beschikbare grond intensief, om extra ruimte te
maken voor openbaar groen", een passage die - zo komt het
ons voor - wel tot een gedecideerde afwijzing van de
aanvraag voor de bouwvergunning door uw college zal leiden.
Een ander tekort in de
legitimatie is dat in 2003 en 2004 resp. een Bomennota en
een Ecologienota door de Delftse Raad zijn vastgesteld, die
beide de bedoeling hadden groen, veelzijdige groenstructuren
en stadsnatuur te beschermen. Helaas, in de uitvoering vanaf
voorjaar 2005 zijn deze beleidsdocumenten steeds misbruikt,
nl. gebruikt als rechtvaardiging van de ene na de andere
aanslag op de stadsnatuur. Het in de bomennota van 2003
genoemde bescheiden aantal te kappen bomen per jaar is
intussen minstens vertienvoudigd. En het misbruik van de
ecologienota laat zich goed illustreren met de verdediging
van kapvergunning voor dit bouwplan, waar het bosplantsoen
geen deel uitmaakt van de Ecologische Hoofdstructuur en
"dus" het beschermen niet waard zou zijn.
In het geval van dit
Ontwikkelingsplan wordt de stadsnatuur zelfs niet opgeofferd
om een profijtelijke grondtransactie o.i.d. te
rechtvaardigen - de voornaamste reden waarom de uitbreiding
van Ikea ten koste van een bij veel inwoners geliefde
natuurrijke plek -, maar wordt zelfs een grote som (orde
grootte 0,5 miljoen Euro) aan de algemene middelen
onttrokken, ten faveure van een zeker niet armlastige school
en goed in de slappe was zittende burgers. Zo betalen de
bewoners van de zeeheldenbuurt mee aan de achteruitgang van
hun buurt. Ook hier spreken burgers en de gekozen
vertegenwoordigers met hun ambtenaren kennelijk een andere
taal en hebben een andere moraal.
4. Dubieuze planologische
procedures
Onder 2a zijn we al
uitgebreid ingegaan op het gebrek aan samenhang in de
beschouwing (en verantwoording!) van de ruimtelijke keuzes
die door de gemeente Delft gemaakt worden. De burger maar
ook de politici wordt een versplinterde visie voorgehouden,
een integrale beschouwing en de verbanden tussen de
schaalniveaus is volkomen afwezig.
Het heeft er alle schijn van
dat deze slechte planvorming zich versterkt doorzet. In de
gebiedsvisie Voorhof Zuidwest wordt deze bedenkelijke omgang
met het ruimtelijke ordeningsrecht doorgetrokken. Niet het
(spiksplinternieuwe) bestemmingsplan is daar het bepalende
planningsdocument, maar de vrijstelling. Omdat voor de
discussie over vrijstellingen de toetsing door de provincie
niet beschikbaar is, ontneemt de gemeente niet alleen de
burgers het recht om op inhoudelijke of zelfs professionele
gronden invloed te hebben, maar snijdt zij ook de voeding
van plannenmakerij met ideeën van burgers af. Niet
alleen de inwoner van Delft is er slechter mee af, het
gemeentebestuur zelf ook
Het inschakelen van de
adviezen van de lokale natuur- en milieuorganisaties bij
gemeentelijke planvorming is geheel in onbruik geraakt.
Tijdens het bewind van de colleges in de periode 1998-2006
werden door het collegelid Duurzaamheid weliswaar allerlei
energieplannen, verkeersplannen en onderwerpen flora en
fauna betreffende aangedragen, maar de implementatie van
groen- en natuurbeheer (de wethouder: "daar krijgen we geen
greep op") en de inhoud van gebiedsvisies,
ontwikkelingsplannen (met als enige uitzondering het
Ikea-plan) en bestemmingsplannen werd zorgvuldig buiten de
agendering gehouden. Deze verstopping van de communicatie
werd in het geval van het onderhavige ontwikkelingsplan nog
eens versterkt doordat de projectleider onze commentaren
niet ter kennis bracht van het dagelijks, noch van het
algemeen bestuur.
5. Verdichting,
duurzaamheid en stadsgroen
De gemeente Delft heeft het
duidelijk moeilijk met zijn bevolkings- en
huisvestingsbeleid. Dan weer vinden we in een plan het
uitgangspunt dat "de natuurlijke bevolkingsgroei moet worden
vastgehouden" (alsof Delft een dorp was ver van de moderne
wereld), dan weer dat Delft meer dan 100.000 inwoners moet
hebben omdat het anders onmogelijk een "vitale" stad kan
zijn. Beide zijn potsierlijke uitgangspunten die van een
provincialistische bestuurscultuur getuigen. Van
bevolkingskrimp, die in Delft sinds 2001 plaatsvindt, raakt
men in paniek, zoals ook de directeur van het Ruimtelijk
Planbureau bij een recente studie over krimp ironisch
vaststelde: het "groter moeten zijn" zit in de genen van de
stadsbestuurders. De burgemeester van een stad die krimpt,
durft zijn collega's niet meer onder ogen te komen.
Tegelijkertijd schaamt de portefeuillehouder Ruimtelijke
Ordening van het Stadsgewest Haaglanden zich er niet voor om
woningbouw aan de oostkant van Haaglanden, bij Gouda
namelijk, als een bedreiging af te schilderen voor de
woningbouw in het Haaglandse gebied. Wij vermoeden hierom
dat het in Delft en Haaglanden, waar meer woningen zijn
gebouwd dan het Vinex-programma aangaf, aan rationele
motieven voor het ruimtelijk beleid ontbreekt en dat het de
opspelende genen van de bestuurders zijn die de koers
bepalen.
De gemeente Delft heeft zich
verplicht tot een omvangrijk bouwprogramma tot 2015. We
hebben er al op gewezen dat in partijprogranmma's en het
coalitieaccoord hiervan geen melding gemaakt wordt, alsof de
politici het persen van het groen uit de stad als een
natuurverschijnsel zien. Maar hoeveel kritiek men ook kan
hebben op de sturingsfilisofie van de Nota Ruimte, de nota
geeft aan de bescherming en versterking van het openbaar
groen in de bebouwde kom wel degelijk een houvast door het
streefcijfer van 75m2 per woonruimte*. Delft scoort in het
stedelijk gebied slechts ongeveer de helft van dit cijfer,
en in het TU-noordgebied slechts eenvijfde. Als aan de
ongeveer 4600 woonruimtes in TU-noordgebeid voor 2011 nog
2099 eenheden zijn toegevoegd, betekent dat dus dat dit
stadsdeel terugzakt naar 10,3 m2 per woonruimte. Welk een
contrast met de "zuinigheid" die het gemeentebestuur
betracht bij de nieuwbouwlokatie Harnaschpolder (1300
woningen), waar men ongeveer dezelfde
inkomenscategorieën wil huisvesten als in TU-noord en
waar groen en water - op papier althans - het volle pond
krijgen! Bewoners van nieuwe lokaties hebben kennelijk meer
rechten dan bewoners van wat oudere, karaktervolle
woonbuurten. "Bouwplannen worden altijd met groen verkocht
en in steen uitgevoerd," tekende Koos van Zomeren al
treffendop uit de mond van een kenner van
stadsgroen.
|
Voetnoot: * De gemeente Delft heeft zich in
bijvoorbeeld het bestemmingsplan Voorhof-Zuidwest
op het standpunt gesteld dat het cijfer van 75 m2
geen eis is, maar het is natuurlijk wel een
streefcijfer. Het gaat niet aan om de wanverhouding
die zich in TU-noord voordoet nog schever te maken.
Trouwens, ook de stedelijke verdichting is in de
Nota Ruimte geen eis, er wordt slechts aan
verdichtende gemeenten een worst voorgehouden,
waarbij gemeenten de vrijheid hebben er niet in te
happen.
|
Het opofferen van bestaand
groen in TU-noord is niet alleen vanuit het oogpunt van
bescherming van de stadsnatuur volkomen verwerpelijk, het is
ook een aantasting van de rechten van de burgers in dit
stadsdeel. Wijzen we bovendien op het effect van goed
gelaagde groenstructuren (in Delft een zeer schaars
groentype aan het worden) voor de luchtkwaliteit, dan is de
veelheid en ernst van argumenten tegen het Ontwikkelingsplan
en dus ook tegen de onderhavige aanvraag voor een
bouwvergunning zo overweldigend, dat alleen besliste
afwijzing van de vergunningaanvraag op zijn plaats is. Het
criterium van de duurzaamheid is volkomen over het hoofd
gezien.
Over tal van andere aspecten
van de stedelijke verdichting zijn kritische kanttekeningen
te maken. We stippen ze hier slechts kort aan.
Zo blijken deze
verdichtingsoperaties op de landschappelijke teloorgang in
het Haaglandse gebied geen remmende werking te hebben gehad.
Van de open landschappen zijn slechts Biesland/Balij en
Midden-Delfland over, samen misschien een luttele 6000 ha,
waarbij in het laatste gebied toch ook weer nieuw glas
opduikt en woningbouw in het hart van het gebied
dreigt.
Het Ruimtelijk Planbureau
wijst erop dat de overmatige verdichting de ontwikkeling van
snelweglokaties voor bedrijventerreinen bevordert. Als de
verdichting niet geoptimaliseerd, maar gemaximaliseerd
wordt, zal het verder onmogelijk zijn om de milieukwaliteit
in die gebieden aan de normen te laten voldoen. De bewoners
zullen er meer mobiliteit door vertonen omdat men de stad
gaat ontvluchten, zelfs voor de dagelijkse wandeling. De
eigenaars van het vastgoed zullen vanaf een zeker punt
ondervinden dat de waarde van hun eigendommen wordt
aangetast. Hiermee verband houdend, zullen de bemiddelde
burgers die iedere gemeente zo graag binnen zijn grenzen
haalt, hun neus voor zulke onaantrekkelijke woonomgeving
ophalen.
M.a.w., de stelling in het
ontwerp-bestemmingsplan TU-noord dat "de voorgestane
ontwikkelingen passen binnen de geldende ruimtelijke
beleidskaders op nationaal, provinciaal, regionaal en
gemeentelijk niveau" kon niet méér bezijden de
waarheid zijn.
Wat het regionale kader
betreft schijnt een kritische en niet-slaafse benadering van
wat andere instanties voorschrijven overigens niet geheel
onmogelijk te zijn, want in het collegeprogramma 2002-2006
lezen we: "We erkennen het belang van de samenwerking op
Haaglandenniveau op een aantal gebieden. Tegelijkertijd
verdient Haaglanden als geheel echter een kritische
beschouwing, zowel voor wat betreft de bestuurlijke
inrichting (te groot en te log) als wat betreft in de loop
van de jaren ingeslopen soms niet erg effectieve
werkzaamheden." Zulk een kritiek op het stadsgewest is na
het optreden van de nieuwe burgemeester van Delft niet meer
gehoord.
6. Het
alternatief
De conclusie van voorgaand
betoog tegen het ontwikkelingsplan is dat de aangevraagde
bouwvergunning niet verleend kan worden. Daarmee zou kunnen
worden volstaan. Maar er is een alternatief.
De Delftse gemeenteraad nam
immers in november 2006 een motie aan die heel misschien
voortkwam uit kennisname van het grote tekort aan openbaar
groen in het TU-noordgebied, maar nog meer met de
aanzwellende protesten van de Delftse bevolking tegen het
gemeentelijk beheer. Met die motie spreekt het
gemeentebestuur zich uit voor meer groen in TU-noord en het
voorzien in een "speeldernis", een avontuurlijke speelplek
in het TU-noordgebied. (Er zijn inderdaad recentelijk
degelijke studies en adviezen van psychologen en ecologen
verschenen waarin zulke stadsnatuur wordt aanbevolen als een
probaat middel om de voorkomen dat elk kind opgroeit als een
Jantje Beton dan wel Betje Beeldscherm.) Aangezien niet goed
is in te zien waar anders in het TU-noordgebied dan aan de
Maerten Trompstraat zoiets met - voldoende - omvang kan
worden opgezet, is de uitvoering van het raadsbesluit een
eenvoudig uitvoerbare aangelegenheid geworden. Het sluit
bovendien goed aan op de inhoud van het overleg dat met de
belangenvereniging TU-noord eerder is gevoerd en waarbij
deze mogelijkheid aan de orde kwam.
Wellicht is zelfs geen
wijziging van de bestemming nodig, omdat een dergelijke
speeldernis heel goed als een "educatieve" bestemming kan
worden opgevat. Het continueren van de onderwijsactiviteit,
waar ROC Mondriaan aan de Mijnbouwstraat al jaren geen werk
van maakte, krijgt dan daadwerkelijk inhoud.
De financiering vormt al
evenmin een groot struikelblok. De gemeente wilde immers
voor het bouwplan uit de algemene middelen ca 0,5 mln Euro
ontrekken. Met een kleine aanvulling uit de Ecologiereserve
is het gat gedicht en kan ROC Mondriaan dan toch met
gemeentelijke middelen die men niet strikt nodig heeft het
verbouwingsplan uitvoeren.
Het is niet ondenkbaar dat
deze alternatieve aanwending van middelen uit de
Ecologiereserve aanleiding zal zijn voor enige discussie;
wethouder Grashoff heeft immers in november 2005 een
bestedingsplan voor die reserve (2 miljoen Euro) laten maken
en door het dagelijks bestuur laten vaststellen. Deze
bestuurder "wilde er geen discussie over", en zo werd het
natuurlijk ook niet in het Duurzaamheidsplatform ter
discussie gesteld. Wij vragen ons zelfs af of de deelnemers
weten dat die Ecologiereserve bestaat. Een stadsbestuur dat
zichzelf respecteert en een goed beleid voor de stad wil
voeren, zal zich door zo'n voldongen feit toch niet laten
ringeloren?
Wij vertrouwen erop dat wij
met deze brief voldoende argumenten hebben aangedragen om u
te doen besluiten de aanvraag bouwvergunning Maerten
Trompstraat (alle kavels) te weigeren.
Bovendien verzoeken wij u
dringend geen voorziening te treffen in de zin van
vrijstelling van het bestemmingsplan. Daarvoor zijn de
bezwaren die aan het bouwplan en het daaraan ten grondslag
liggende ontwikkelingsplan veel te ernstig en fundamenteel
van aard.
We gaan er daarentegen
vanuit dat voor het realiseren van het hier kort aangeduide
alternatief dwingende redenen zijn gegeven, en wij verheugen
ons erop hierover overleg met u te voeren.
Vertrouwend u van dienst te
zijn geweest, tekent.
Met vriendelijke
groeten,
L.C. van Doorn
|