Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft

beginpagina | archief nieuwsbrieven | plannen en commentaar op plannen | Midden-Delfland: uitholling van binnenuit?

BEDREIGINGEN in Midden-Delfland

(gepubliceerd in Midden-Delfkrant 117, themanummer planten en dieren)

Het onderwerp "bedreigingen" wordt als het over Midden-Delfland gaat meestal in verband gebracht met ruimtelijke plannen (dat zijn plannen met ander ruimtegebruik) die in de omgeving worden gesmeed en die de waarden van het gebied kunnen aantasten. Zeker nu er geen bescherming meer uitgaat van de Reconstructiewet &endash; een speciale wet uit 1977 voor wat in wezen een landinrichtingsproject was voor een betrekkelijk klein restant van een Hollandse groene ruimte tussen de Haagse en Rotterdamse agglomeratie &endash; is de neiging om op die ruimtelijke aantastingen te letten, des te sterker. De aangrenzende steden zijn immers druk doende de ruimte binnen hun "rode contouren" verder op te vullen, en voor een "uitval" naar buiten, naar het goedkope groene restant tussen de steden moet alleen al daarom gevreesd worden.

Dat betekent wat mij betreft overigens niet dat élke functieverandering uit den boze is en bestreden moet worden. Midden-Delfland moet geen museum zijn, maar moet in ecologische en economisch opzicht vooral ook vitaal zijn, dat is de beste garantie tegen ontwikkelingen die het gebied overhoop zouden halen.

Formele bescherming

De formele verankeringen van het landelijke karakter van Midden-Delfland die er nu nog zijn, vormen nog steeds redelijke waarborgen, maar voor de middellange termijn.

In de Nota Ruimte [1] kan de vasthoudende lezer iets over Midden-Delfland vinden. Op p. 144 staat een plaatje met een "ster" op het gebied, aanduidend dat er een "transformatie van een voormalige rijksbufferzone" wordt voorgesteld. In dit geval is het standpunt van de minister dat het gebied verder ontwikkeld en versterkt moet worden door het Groenblauwe Slinger-beleid. Dat is op zichzelf een goed idee, maar met de uitvoering van dat idee zit de provincie in een impasse, en het lijkt me onwaarschijnlijk dat deze regering de provincie daar overheen wil helpen.

De discussie over de Nota Ruimte, eind januari in de Tweede Kamer, leverde nog wel een kakelverse bedreiging van Midden-Delfland op: de kustlocatie. Het is er eentje voor de zeer lange termijn weliswaar, maar niettemin ... Projectontwikkelend Nederland kan de verleiding van grote-projecten-waar-de-belastingbetaler-voor-opdraait maar moeilijk weerstaan, en als er dan ten westen van de lijn Hoek van Holland-Scheveningen nog tienduizenden woningen worden gebouwd, is het onvermijdelijk dat er naar het oosten weer nieuwe infrastructuurlijnen worden getrokken &endash; door Midden-Delfland natuurlijk. Enkele Tweede Kamerleden noemden nog het bestrijden van de zoute kwel als pluspunt van de kustlocatie, en met ontzag stel ik vast dat deze politici, gewoonlijk toch bezig met een planhorizon van een paar maanden, ineens in halve en hele eeuwen blijken te denken. Dat de glastuinbouw hoofdzakelijk los van de grond teelt en zijn gietwatervoorziening al lang losgekoppeld heeft van grond- en oppervlaktewater, en dat &endash; vooral &endash; het zwak brakke water (200-400 mg/liter) een van de te koesteren bijzonderheden van Midden-Delfland is, daaraan gaan we voor het gemak maar even voorbij. (In die licht brakke wateren en waterkanten vinden we planten als Zanichellia, Smalle waterweegbree, enkele kranswieren, Moeraszoutgras, en in de graslanden opvallend veel Behaarde boterbloem.)

Het streekplan Zuid-Holland West, en in het kielzog daarvan het Regionaal Structuurplan van Het Stadsgewest Haaglanden (RSP) bevatten een volledige erkenning van de ruimtelijke begrenzing van dit gebied. Maar streekplannen hebben een heel beperkte looptijd, en er gaat bovendien geen jaar voorbij dat de provincie niet met streekplanwijzigingen op de proppen komt.

Heel recent is er zo'n streekplanwijziging in discussie geweest, die dat vluchtige illustreert. Ik doel op de uitplaatsing van een grote autosloperij die op De Binckhorst in Den Haag is gevestigd en voor welk terrein de gemeente Den Haag een veel lucratiever bestemming in gedachten heeft. In driekwart jaar geheime onderhandeling tussen de provincie en het college van B&W van de gemeente Pijnacker-Nootdorp kwam tenslotte de locatie Ruyven-Zuid uit de hoge hoed, een graslandgebiedje buiten de rode contour en bovendien in het domein van de Groenblauwe Slinger. Door druk van heel veel kanten besloot de gemeenteraad van Pijnacker-Nootdorp dit convenant [2] niet te accepteren, maar het heeft er toch even heel dreigend uitgezien. Het meest verontrustende van deze casus is dat het provinciebestuur zo gemakkelijk te verleiden blijkt streekplannen aan te passen.

A4

Die druk is in het geval van het doortrekken van rijksweg A4 bepaald groter. Het "Plan Norder" is zelfs zo ronkend "onderbouwd" dat het doortrekken van de weg, samen met de flankerende ecologische en economische maatregelen, tot een vergroting van de gebiedskwaliteit zou leiden. In mijn ogen was dat typische bestuurderspropaganda, want versplintering van een kwetsbare landschappelijke eenheid die al teruggebracht is tot een kritisch minimum, kan nooit een extra kwaliteit zijn. De flankerende maatregelen die wél tot ecologische en economische revitalisering van het gebied zouden kunnen leiden, waren voor het grootste deel bovendien al via andere beleidsplannen van gemeenten en provincie voorzien. Maar door die zaken op te hangen aan het totstandkomen van een kwestieuze weg, is daar de vaart volkomen uit.

Bedeigingen die er waren

Bedreigingen zijn dingen van de toekomst, maar ik wil desondanks enkele bedreigingen van Midden-Delfland aanstippen die er geweest zijn. De eerste was zelfs onderdeel van de reconstructieplannen zelf. Het plan voor het grootste deelgebied (Gaag, 3030 ha) bevatte een groot brok van 475 ha grootschalig glas [3], dat in verbijsterend tempo begin jaren '90 uit de grond gestampt werd. De landschappelijke kwaliteit aan de noordwestkant van de Gaag heeft er zware averij door opgelopen. Een voordeel is dat de dreiging vanuit het Westland &endash; die zal er altijd zijn &endash; hier niet abstract maar tastbaar is en dat kan preventief werken.

Een karakteristiek landschappelijk element aan de zuidwestkant van Delft als de Tanthofkade, een waterkering daterend uit de 11e eeuw, is door het oprukken van de Delftse bebouwde kom over een grote lengte gereduceerd tot stadsrandgroen. Deze kade was ter hoogte van Delft een klassiek sierraad in het Midden-Delflandse weidelandschap, maar omdat de bebouwing tot aan zijn oostkant is opgerukt, is de ruimtelijke werking verloren gegaan. Bovendien moet men aannemen dat de wilde fauna door de druk wandelende bewoners (ach ja, dat is ook fauna ...) sterk aan betekenis heeft ingeboet.

In dezelfde tijd dat het deelplan Gaag werd vastgesteld, kwam de Delftse Kamer van Koophandel met een fleurige brochure [4]. Dat was nog eens een gedurfd plan; terwijl men elders nog doende was om de landinrichting van Midden-Delfland tot een einde te brengen, kwam de KVK met een visie die zowat alleen de Vlaardingse vlietlanden vrijwaarde van duchtige economische maatregelen waar we allemaal zoveel gelukkiger en rijker van zouden zijn geworden. De vlietlanden zouden in het drastisch omgetoverd Midden-Delfland een "sanctuarium" zijn, maar ik was in de discussies daarover toch maar zo vrij om het een "mortuarium" te noemen.

Meer dan ruimte alleen

In de inleiding heb ik al gesuggereerd dat de ruimtelijke kant van de bescherming van Midden-Delfland maar een deel van het verhaal is. Er zijn nog andere, meer sluipende slopers aan het werk.

De meest paradoxale is die van de veehouderij. Aan de ene kant belichaamt de veehouderij de meest in het oog lopende aantrekkelijkheid van dit cultuurlandschap, nl. de openheid en de stoffering met kleine landschapselementen als sloten en slootkanten, bosjes, erfbeplanting en al of niet beplante kaden. En niet te vergeten: de extensieve exploitatie, en daarmee de rust in het gebied.

Maar aan de andere kant van deze paradox is er de intensivering van de bedrijfsvoering, die vooral in de 60-er, 70- en 80-er jaren plaatsgreep en die de soms maar subtiele natuurlijke verschillen (gradiënten) in bodemgesteldheid en waterhuishouding verder heeft afgevlakt en de ecologische betekenis en charme van het gebied heeft aangetast [5]. Alleen in de natuurgebieden houdt een grote biodiversiteit stand, de hooiboezemlanden van de vlietlanden zijn prachtig, met brede orchis, moeraskartelblad en veenpluis.

Intensivering kwam neer op productieverhoging, op vergroting van de veebezetting, op vermesting en verruiging, op verdroging van de bodem en teloorgang van bloemrijke graslandvegetaties, op versnippering en verlies van leefgebied voor de fauna. Dat alles is nog eens versterkt door het verlies aan dynamiek in het oppervlaktewater, ook wel bekend onder de naam peilverstarring [6,7,8]. Het gevolg daarvan is verlies van water- en oevervegetaties en het verlies van het vermogen van oevers om de voedselrijkdom om te zetten in biomassa.

Dit alles klinkt verwijtend en zwartgallig, zowel naar boeren als naar het waterschap, maar het brengt ons wel bij dé grote motor van de landschappelijke en ecologische vervlakking: de cultuur van het veel en goedkoop. De duizenden stedelingen die van het open landschap genieten door er te fietsen en te wandelen, zijn in de supermarkt al lang weer vergeten dat er een prijs voor moet worden betaald. Waar de Engelsen zo'n mooie uitdrukking voor hebben ("to put your money where your mouth is") is als levenshouding in West-Europa nog ver te zoeken. De landschaps- en natuurbeschermers van Midden-Delfland zijn dus niet klaar met het tegenhouden of ombuigen van verkeerde plannen, dat zijn maar incidenten.

Jacques Schievink, februari 2005

Referenties