plannen
van de Initiatiefgroep
en reacties op plannen Delft, 10 april
2005 Betreft: commentaar
Ontwerp Beleidsnota Water Geacht college, Als de Ontwerp Beleidsnota
Water van het provinciaal bestuur van Zuid-Holland iets
demonstreert, dan is het wel verwarring. Aan de nota is,
blijkens een mededeling in de nieuwsbrief Groen, Water en
Milieu van maart, een "waterdiner" vooraf is gegaan, en het
is niet onmogelijk dat het een rijk, niet alleen met water
besproeid diner is geweest. Vooral de hoofdstukken 2
(Sturingsfilosofie Water) en 3 (Toepassing
sturingsfilosofie) worden ontsierd door grote stukken
nietszeggend managementjargon, die wel uit een boekje lijken
te zijn gekopieerd. Alleen met grote inspanning is daar iets
zinnigs of tegenstrijdigs in te ontdekken. De kreet
"ontwikkelingsplanologie" is opvallend aanwezig in de tekst
om de rol, die het provinciaal bestuur voor zichzelf ziet in
het waterbeheer, nader te bepalen, In de eerste plaats is
dat al wonderlijk omdat dit modieuze begrip met de nota
Ruimte zijn intrede heeft gedaan in het
ruimtelijke-ordeningsbeleid. Hoezeer het waterbeleid ook van
alles te maken heeft met ruimtelijke-ordeningsbeleid, het is
bepaald niet hetzelfde. De benadering van de
ontwikkelingsplanologie (die in de nota toch vooral
uitwerking krijgt in de richting van afschuiving van
verantwoordelijkheden, zoals bij grondwater en
uitvoeringsaspecten van de deelstroomgebiedsvisies) biedt
dus hoe dan ook geen uitweg. In de tekstuele acrobatiek
van de hoofdstukken 2 en 3 is slechts af en toe een sprankje
relatie met de werkelijkheid te ontdekken. "Niet uit het oog
moet worden verloren dat de provincie naast de regie- en
ontwikkelrol, ook toetser (goedkeuring en
vergunningverlener) en toezichthouder op waterschappen en
gemeenten is en blijft." Dat is al gecompliceerd genoeg. De
provincie die totnutoe een simpel beleidsveld als peilbeheer
niet goed tot ontwikkeling wist te brengen (de tekst over de
evaluatie peilbeheer op p. 19 is wel erg zuinig als weergave
van het ook voor de provincie vernietigende rapport), tilt
aan dit mijnenveld van bevoegdheden niet zwaar: "In de
praktijk is de mogelijke onduidelijkheid over de
verschillende rollen van de provincie niet helemaal uit te
sluiten maar wel in te perken door helder met andere
partijen per project te communiceren over de rol van de
provincie per fase." (p. 12). Dat ziet er veelbelovend uit!
Op diezelfde p. 12 is een
andere mistigheid te vinden. "Zo zijn alle door de
Rekenkamer onderzochte beleidsvelden achter de praktijk aan
het hollen, terwijl de burger bereid is te betalen voor
tastbare activiteiten die bijdragen aan zijn welzijn. De
opgave ligt, ook voor water, in een gezonde verhouding
tussen papieren overpeinzingen en afwegingen en praktische
daden. Wat maatschappelijk uiteindelijk telt is een
waterhuishouding die ruimtelijke ontwikkelingen concreet
faciliteert en niet frustreert." Wat bedoeld wordt met "een
waterhuishouding die ruimtelijke ontwikkelingen concreet
faciliteert" moet wel betekenen dat het provinciaal bestuur
zich van de fysieke beperkingen en mogelijkheden van bodem
en water weinig wenst aan te trekken als het gaat om
occupatie en bestemmingen toe te staan of als
medeparticipant te ontwikkelen. Maar op de volgende
bladzijde al lezen we: "Een meer op de lagenbenadering
gestoeld ruimtelijk beleid draagt er toe bij dat het
waterbeheer meer op ruimtelijke maatregelen steunt in plaats
van louter technische", en dat is, ondanks de afzwakkende
woordjes "meer", het tegenovergestelde. Bestuurlijk wordt het
waterbeleid er verder niet helderder op als er in 2006
bestuursakkoorden komen "op basis van regionale waterplannen
van gemeenten, waterschappen en provincie." (p. 15). Nog
weer meer akkoorden! En "De afspraken worden grotendeels
zelfstandig opgepakt door de gemeenten en de waterschappen.
Met deze aanpak wordt beoogd het gat op te vullen tussen de
deelstroomgebiedsvisies en de uitvoering van daaruit
voortvloeiende ruimtelijke wateropgaven." Wat de provincie
dan nog ziet als zijn rol bij het opvullen van het
beschreven gat, is een niet erg duidelijk. De tekst over de
Kaderrichtlijn Water vinden wij evenmin inspirerend. We zijn
niet tegen een pragmatische benadering, maar typeringen als
"haalbaar" en "betaalbaar" als grenzen van wat op het gebied
van waterkwaliteit bereikt kan worden, wekken de verdenking
dat men de heilige koeien van het intensievere grondgebruik
(verstedelijking, bedrijventerreinen, glas, intensieve
landbouw) zeker voorrang zal willen geven. Bij de afkoppeling van
schone stedelijke oppervlakken van het rioolstelsel (p. 23)
is opvallend dat het provinciaal bestuur een
achterhoedepositie wil innemen. "Een openstaande vraag is of
afkoppelen alleen in nieuw stedelijk gebied moet worden
nagestreefd of ook in bestaand gebied." Die "openstaande
vraag" gaat er aan voorbij dat in tal van situaties in
bestaand stedelijk gebied zich bij renovaties tal van
mogelijkheden voordoen om met weinig extra kosten - zeker
niet groter dan de besparingen voor de zuivering -
afkoppeling te realiseren. De praktijk in veel steden gaat
ook al aanzienlijk verder. Voor het Westland (p. 24)
kiest de beleidsnota voor een historisch gesproken
weerbarstige weg van de aanpak door aanlsuiting van
glasbedrijven op het riool. In de eerste plaats gaat dit
voorbij aan de mogelijkheden van het waterstructuurspoor om
de verontreinigingen met een uitgebreid stelsel van oevers
en moerassen op te vangen en afdoende natuurlijk te
zuiveren, voor zover brongerichte technieken niet toereikend
zijn (gesloten systemen worden al 20 jaar in het
vooruitzicht gesteld, maar zijn nog steeds ver weg). Het is
helaas weer de technische, niet de ruimtelijke benadering,
die in eerste aanleg tenslotte ook met het IOPW was opgezet
en die naar het schijnt roemloos ten onder is gegaan. De
technische benadering biedt boendien geen oplossing voor de
vluchtige verontreinigingen die via de atmosferische route
de kassen verlaten en het milieu belagen. Tesnlotte de tien punten van
de wateragenda 2005-2006. Op vijd ervan geven we nog wat
specifiek commentaar. We vinden dit een
merkwaardige versmalling van de opgave die de Kaderrichtlijn
Water stelt. Maatschappelijke kanten zitten er zeker volop
aan, maar landschappelijke en ecologische aspecten zijn o.i.
de meest bepalende. Regering en provincie hebben
zich met het doorzetten van Westergouwe wel heel weinig
bewondering geoogst en de consensus over het Nederlandse
waterbeleid die er sinds 2000 was (WB 21e eeuw) grote schade
toegebracht. In het blad De Water van
november 2004 stelde de redactie aan een panel van
deskundigen de vraag: "als Zuid-Holland glastuinbouw in de
Zuidplaspolder toestaat, is de provincie aansprakelijk voor
latere hoogwaterschade". Het antwoord van prof. Alfred van
Hal was een welsprekend "ja": " Hoe is het in vredesnaam
mogelijk: overheden die door henzelf geïnitieerd of
onderschreven beleid aan hun laars lappen? (
) Alsof we
niets geleerd hebben, vervallen we in dezelfde fouten. Hoezo
voorzordbeginsel? (
) En erger: de overheid organiseert
haar eigen onbetrouwbaarheid. De stelling is juist, en ik
raad de waterbeheerder aan per brief te bevestigen dat alle
schadeclaims - nu en in de verre toekomst - voor de
provincie zijn. Arrogantie kost geld. (
) De watertoets
lijkt hier een wassen neus te zijn. Shame on
you!" De nota Uitvoering
Peilbeheer uit 1998 dient niet alleen herzien te worden om
op basis van betere kennis van de relaties tussen
slootpeilen, grondwater en bodemdaling in de verschillende
seizoenen een beter peilbeheer te ontwerpen, maar ook een
einde te maken aan de te vrijblijvende omgang met de
afspraken.. Een dergelijke verkenning
kan zeker nuttig zijn. Vooral wat het Westland betreft zijn
initiatieven die ertoe bijdragen dat het gebied de
kwalitatieve en kwantitatieve wateropgave op eigen grond
realiseert bijzonder welkom. Niet alleen de watergangen en
andere waterpartijen in het gebied zijn klein en vaak
steriel, ook in de politieke cultuur ontbreekt het dikwijls
aan zelfreinigend vermogen. Vertrouwend u van dienst te
zijn geweest, tekent Met vriendelijke
groeten, Jacques Schievink Initiatiefgroep Natuurbeheer
in Delft
(Ontwerp)
Beleidsnota Water provincie Zuid-Holland
Aan
Gedeputeerde en Provinciale Staten van de Provincie
Zuid-Holland
Postbus 90602
2509 LP Den Haag2. "Uitwerken
Kaderrichtlijn Water als maatschappelijke opgave"
6. "Inzetten op
waterneutraal bouwen in 'diepe polders'" en
8. "Water door laten
klinken in de Zuidplaspolder"
7. "Omgaan met water en
bodem in veenweidegebieden"
10. "Verkennen blauwe
ontwikkeling Westland/Midden-Delfland
Laatste
wijziging: 19 april 2005,
netplek
Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft
| ind@datadelft.com