Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft

beginpagina | archief nieuwsbrieven | plannen en commentaar op plannen | TU Noord

Open brief aan het hoofd van het vakteam Ruimtelijke Ordening van de gemeente Delft

Delft, 2 september 2007

Geachte heer Pasveer,

Naar aanleiding van uw betoog tijdens de slotbijeenkomst over de Delftse woonvisie op 7 juli moet mij het een en ander van het hart. Voor zover ik het mij van de bijeenkomst herinner citeerde de stadskrant van 8 weken geleden correct: "Erik Pasveer, hoofd Ruimtelijke Ordening bij de gemeente, pleitte voor een bredere blik bij de aanpak en bouw van wijken. Er zijn nu heel veel losse bouwprojecten, maar wat betekent dat voor een gebied?" … en voor zijn bewoners, voeg ik er maar haastig aan toe.

1. De benadering die u tijdens de bijeenkomst als nieuw presenteerde, lijkt mij eerlijk gezegd een open deur. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat dit inzicht niet allang gemeengoed was - buiten het gemeentelijk bastion van Delft was het dat namelijk al heel lang, kan ik u meedelen. Maar inderdaad, in de overhaaste operatie om een forse reeks nieuwe bestemmingsplannen over de burgerij uit te storten en de bouwstroom in Delft op gang te brengen, was dit inzicht inderdaad ver te zoeken. (Merkwaardig in een stad die al sinds jaar en dag als "compact" wordt beschouwd en waar de overspannen verdichtingen en inbreidingen dan ook niet voor de hand liggen.) In die zin was uw aankondiging geweldig nieuw en wat mij betreft ook welkom. Maar tegelijk ook verontrustend: ik lees het als een erkenning dat een elementair planningprincipe bij al die recente bestemmingsplannen simpelweg overboord gegooid was, en dat de meestal tamelijk toevallige investeringwensen van projectontwikkelaars en de gemeentelijke boekhouding het primaat hadden.

2. Daarmee is uw betoog wat mij betreft vooral toch ook een gotspe. De reeks ontwikkelings- en bestemmingsplannen, die sinds 2004 door de strot van burgers en raadsleden zijn geduwd, zijn nauwelijks meer dan projectbeschrijvingen waaraan behoorlijke ruimtelijke onderbouwing ontbreekt en waarin onderzoek naar verbanden met nabije gebieden en de belichting van wat het voor die gebieden en zijn bewoners betekent, ver te zoeken zijn. Broddelwerk dus. Toegegeven, met een dociele provincie die al wappert met verklaringen van geen bezwaar als er nog niet eens plannen zijn - als er maar gebouwd wordt, zo zou je het provinciaal en stadsgewestelijk beleid kunnen samenvatten - kun je beter met ruimtelijke onderbouwingen maar helemaal niet aankomen, want dat zou aan het licht werpen op wie de gemeente in deze snel onaantrekkelijker wordende stad vooral ter wille wil zijn. M.n. een bestemmingsplan als TU-noord is één domme knieval voor de investeerders, die in het Delftse geval van het korte-termijnsoort zijn. Dat is vooral ontluisterend omdat de gemeente te beroerd was de enorme revenuen uit de ISV-pot (130 miljoen Euro rijksbeloningen voor Delftse bakstenen) mede te besteden aan het op peil houden van de leefomgeving van het gebied en TU-noord niet om te toveren in een onaantrekkelijk doorgangsgebied. Enfin, zie hiervoor verder http://ind.datadelft.com/tunoord3.htm

3. Dat uw recente bevlieging van gezond verstand uitgerekend nu ten beste wordt gegeven, is wat nog wel de meest vieze smaak geeft. De meest controversiële ontwikkelings- en bestemmingsplannen zijn door de raad vastgesteld en al door de provincie bekrachtigd of in behandeling, En daarná komt het hoofd RO dan aankakken met de bekentenis dat we in Delft voortaan ook gaan letten op de betekenis van de projecten voor het gebied. Hartelijk dank. Too little, too late.

4. Bij al deze misdragingen aangaande de Delftse stadsplanning kan de gemeente Delft nog een vierde worden aangewreven: in stadsgewestelijk verband heeft de gemeente geen vinger uitgestoken om de verrommeling van het landschap in deze regio - door Adriaan Geuze terecht aangeklaagd als de ergste in Nederland - tegen te gaan. Het lijkt er eerder op dat de paar miljoen die voor een Midden-Delfland-fonds is uitgetrokken, de bedoeling heeft gehad de landschapsbeschermers zand in de ogen te strooien, want behalve Midden-Delfland en een schamel stukje Biesland kan men de omgeving van Delft intussen rustig afdoen als een amorfe zee van glas en huizen, die voor de innovators en wetenschappers die men zo wanhopig aan Delft wil binden, juist een reden zal zijn om hier vooral niet te (gaan) wonen. Om u van de lelijkheid van de regio te vergewissen hoeft u maar een blik te werpen op de fotoreeks "Hollands pracht", waarvan intussen drie afleveringen in de NRC hebben gestaan, en ook in de verwijtende vaststelling van de regering bij het bekendmaken van een grote subsidie voor Midden-Delfland, nl. dat er in dit gebied te weinig groen is. In al deze lelijkheid ook Delft nóg lelijker maken, dat kun je aan de neo-conservatieve bestuurderskaste die er nu zit gerust overlaten.

Er is een gezegde dat luidt: "een volk dat leeft bouwt aan zijn toekomst." Dat bouwen wordt vanzelfsprekend metaforisch bedoeld, maar ik betwijfel of die nuance bij het Delfts gemeentebestuur en zijn ambtenaren is begrepen. Daar lijkt de rabiaat Angelsaksische opvatting te heersen dat economische groei de vlucht naar voren - bouwen, bouwen, bouwen, niet om een woningtekort dat weinig voorstelt weg te werken (bron: ABF), maar voor investeerders die hun te dure rommel al niet meer kunnen verkopen - rechtvaardigt. Ach, een onverdachte bron als Jaap van Duijn, tot voor kort Robeco-hoofdman, sabelt zulke onzin kort maar krachtig neer in "De groei voorbij". "Iedere Euro groei wordt te niet gedaan door de negatieve effecten" is een van zijn intrigerende stellingen. Van harte aanbevolen dit boek, zelfs voor stedenbouwkundigen. Zolang deze kritische noties niet door de mistige Delftse bestuursstijl heenbreken, kunnen we het maar beter niet meer over Delft hebben. Staphorst aan de Schie, dat lijkt me passender voor dit stofnest.

Met vriendelijike groet,

mede namens de stichting Commissie Natuur en Milieu,

Jacques Schievink