homepage Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft

Bestrijding bouwplannen Maerten Trompstraat

bezwaar kapvergunning - 13 april 2005 | zienswijze ontwikkelingsplan Mijnbouwstraat - 7 maart 2005 brief aan de raadscommissie Duurzaamheid van 7 januari 2006

Stichting Commissie Natuur en Milieu

Delft, 27 september 2007

Betreft: Bezwaarschrift inzake het verlening van een vrijstelling ex artikel 19 lid 2 WRO en bouwvergunning voor de bouwplannen aan de Maerten Trompstraat

Aan: College van B&W van Delft

 

Geacht college,

Tegen de door u verleende bouwvergunning en planologische vrijstelling aangaande de bouwplannen aan de Maerten Trompstraat (zie uw brief van 20-08-2007 met kenmerk BWT/20158604) hebben wij onoverkomelijke bezwaren. Aan de hand van uw reactie op door ons ingediende bezwaren, neergelegd in uw brief van 8-08-2007 met kenmerk BWT/20157569, zullen wij u hieronder laten zien dat die reactie niet voldoet.

De kern van de discussie is vanzelfsprekend hetgeen in punt 3 van uw reactie ter tafel wordt gebracht. Maar ook op de bij 2, 4 en 5 gemaakte opmerkingen geven wij een kort commentaar.

Ad 2. Het bestemmingsplan TU-noord is inderdaad inmiddels door de Delftse gemeenteraad vastgesteld. Het is nog bij de provincie in procedure en zal mogelijk ook nog bij de Raad van State ter sprake komen.

Van mogelijk nog groter belang is het om vast te stellen dat de goedkeuring van het bestemmingsplan door de gemeenteraad met de kleinst mogelijke meerderheid gebeurde en dat er bij de besluitvorming van machtspolitieke druk sprake was. Dergelijke omstandigheden zijn bij dergelijke besluiten in gemeenteraden tamelijk zeldzaam, waardoor het toch al zo fragiele bestemmingsplan niet aan overtuigingskracht wint.

Bij de "goede ruimtelijke onderbouwing" wijst u er terecht op dat de gemeente vrij is bij de invulling van dit criterium wat naamgeving en vorm betreft, maar dat inhoudelijk moet worden ingegaan op de relatie tussen ontwikkelingsplan en bestemmingsplan. Het Ontwikkelingsplan Mijnbouwstraat/Maerten Trompstraat voldoet wat dit betreft in geen enkel opzicht. De wederzijdse verbanden worden slechts aangeduid met een vermelding, er vindt geen analyse plaats. Het is beschamend dat bestuur en uitvoerenden van de gemeentelijke organisatie zelfs geen poging daartoe hebben ondernomen.

Ad 3. Uw mededeling dat het bij de motivering of een beoogd project in de toekomstige bestemming past om een "relatief nieuw fenomeen" gaat, wijst er al op dat de gemeente Delft niet al te vertrouwd is met de moderne stadsplanning. Het doen voorkomen dat diverse beleidsterreinen en relevante ontwikkelingen dan wel niet in de tekst van het Ontwikkelingsplan zijn opgenomen, maar dat dat nog niet betekent dat die buiten beschouwing zijn gelaten, wantrouwen wij zeer en beschouwen wij eerder als erkenning van de onzorgvuldige en onprofessionele stadsplanning die de gemeente Delft erop na houdt.

Dit sluit ook aan op wat het hoofd van uw vakteam RO begin juli in het openbaar bekend maakte, nl. dat een bredere blik bij de aanpak en bouw van wijken nodig zou zijn. "Er zijn nu heel veel losse bouwprojecten, maar wat betekent dat voor een gebied?", zo vroeg hij zich af. Wij beschouwen deze hartekreet als een bevestiging van onze analyse dat het onderzoeken van verbanden en het bestuderen van de gevolgen van bouwplannen voor stadswijken en zijn bewoners domweg niet plaatsvond.

Niemand zal ontkennen dat de gemeente beleidsvrijheid heeft. Maar het beroep op die beleidsvrijheid is in dit geval wel bijzonder weinig overtuigend; wij zien het als kennisgeving aan de burger dat de gemeente zichzelf het recht geeft om maar wat aan te rommelen en zelfs diametraal tegenover zijn eigen beleidslijnen te opereren.

Een aanwijzing dat het aanroepen van de beleidsvrijheid erg lichtvaardig gebeurt, is dat in het Ontwikkelingsplan met geen woord gerept wordt over het niet passen in bestaand beleid (afgezien uiteraard van het oude bestemmingsplan) en dat die beleidsvrijheid moet te hulp moet woden geroepen. De beleidsvrijheid wordt er nu, achteraf, met de haren bijgesleept om de inadequate planvorming te verhullen.

Van belang hierbij is dat het benutten van deze beleidsvrijheid niet alleen kwalijk is vanwege de strijdigheid met andere beleidslijnen binnen het planologische domein, maar ook met het lokaalpolitieke domein. Spectaculair is de strijdigheid met het coalitieaccoord, met de passage "In alle bouwprojecten gebruikt Delft de beschikbare grond intensief, om extra ruimte te maken voor openbaar groen." In TU-noord evenwel worden de bouwprojecten (ruim 2000 wooneenheden) alle uitgevoerd zonder deze extra ruimte te scheppen. Groene terreinen aan de Maerten Trompstraat en aan de oostelijke kant van de Julianalaan, beide juridisch gesproken geen gemeentelijk groen, bieden de gemeente bij uitstek de kans om bij de intensivering en functieveranderingen in TU-noord en TU-midden daadwerkelijk invulling te geven aan de mooie woorden. Want anders voldoet de lokale overheid niet meer aan redelijke eisen van voorspelbaarheid en democratische legitimatie.

Bij deze beleidsvrijheid schaamt de gemeente ner zich er verder niet voor om beleid van hogere schaal te schofferen. Het beleidskader ISV (Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing) zowel als de nota Ruimte wijden krachtige passages aan de betekenis en omvang van het stedelijk groen, waarbij heel recent de minister van VROM (Terra Nova mei 2007) goed aansluit: "Ook mag er geen groen uit de stad verdwijnen". De gemeente past het niet om recht tegen deze algemeen aanvaarde opvattingen over gezonde steden in te gaan. Recente plannen van de gemeente Delft om het Handboek Bestemmingsplannen op dit punt aan te passen, om meer ruimte te maken voor speelplaatsen en om het bomenbeleid te heroverwegen geven wel aan, dat het Delfts gemeentebestuur begint begint te vermoeden dat er iets scheef zit met zijn prioriteiten, maar die bewustwording mag wat ons betreft wel wat sneller gaan.

Dat het bij het terrein aan de Maerten Trompstraat om een particulier terrein gaat (we hadden al langer het idee dat Delft bestuurd wordt door juristen), doet weinig ter zake. De ontwikkelingen in het TU-noordgebied overziende had de gemeente Delft tenminste een alternatief plan moeten uitwerken, waarbij in een stadsdeel waar een grote intensivering en verdichting op de rol is gezet, het geven van een groene bestemming aan het terrein meer dan voor de hand had gelegen. Het afstoten van het terrein, dat in een kleine 30 jaar was geëvolueerd tot een terrein met hoge natuurwaarden en een geliefd speelterrein, door de eigenaar was de uitgelezen kans voor het werken aan een gezonde stad - in een stadsdeel met op veel plaatsen een luchtkwaliteit die niet aan de normen voor 2008 zal voldoen geen overbodige luxe. Maar ja, in een gemeentelijke organisatie waar het bouwen van boomhutten door kinderen al direct tot kap van de bomen aanleiding geeft, denkt men liever niet aan zulke alternatieven.

Zoals u zelf al aangeeft is Delft een compacte stad. Het idee dat een compacte stad dient te worden verdicht is onlogisch en praktisch gesproken in strijd met redelijke eisen van leefomgevingskwaliteit. Steden die niet compact zijn lenen zich voor verdichting, compacte steden veel minder. Het toevoegen van grondgebonden woningen aan de woningvoorraad kan Delft met gemak realiseren, bijvoorbeeld in de Harnaschpolder. Het toevoegen van grondgebonden woningen in de Maerten Trompstraat doet er juist af aan de kwaliteit van wonen.

De motivering dat verdichting van de reeds compacte stad Delft geboden is om het buitengebied te ontzien beschouwen wij als een flauwiteit. De gemeente Delft heeft in stadsgewestelijk verband nimmer een bijdrage geleverd aan het beschermen van open landschappen in deze regio. Het buitengebied van Delft kent slecht enkele kleine smaakvolle landschappen, en het gebrek aan buitengebieden met voldoende kwaliteit en schaal maakt Delft tot een van de onaantrekkelijkste woonsteden van Nederland. Het opofferen van groen en natuur in de stad maakt dit alleen maar veel erger. Het stadsgewest Haaglanden staat inmiddels dan ook bekend als het gebied waar de verrommeling de afgelopen 10 jaar het sterkst heeft toegeslagen.

Wat u in de beantwoording over de punten d. en e. (op p. 4) te berde brengt, beschouwen wij met het bovenstaande tevens beantwoord.

Ad 4. Het provinciaal beleid aangaande de vrijstellingen die gemeenten kunnen verlenen, is wellicht voor gemeentelijke politici en ambtenaren transparant, maar voor burgers een gesloten boek. Verklaringen van geen bezwaar worden niet zelden lichtvaardig - om niet te zeggen ongeïnteresseerd - verleend. Het vrijstellingenbeleid wordt bovendien aan het begin van elk jaar aan de gemeenten bekendgemaakt, niet aan de burgers.

Wat de mogelijkheden om het bouwplan te beïnvloeden betreft wijzen wij er op dat ondanks sterk kritische commentaren die door ons aan de raadsleden werden gestuurd, het dagelijk bestuur van de gemeente niet de moed heeft gehad de discussie met de georganiseerde natuur- en milieubescherming aan te gaan (iets wat het Delftse bestuur sinds eind 90-er jaren niet meer nodig vindt). Ook in het Duurzaamheidsplatform is het onderwerp Ontwikkelingsplan Mijnbouwstraat/Maerten Trompstraat niet geagendeerd. Zelfs het kappen van bomen ruim voor het verlenen van de bouwvergunning (januari 2007) is er niet aan de orde gesteld.

Het gemeentebestuur heeft wel over het plan gesproken met enkele omwonenden. Die contacten beperkten zich tot kleine aanpassingen binnen de door de gemeente als voldongen feit gepresenteerde plan. Hetzelfde geldt voor het gedecimeerde speelterrein.

Ad 5. Het nog niet uitgekristalliseerde gemeentelijke plan voor een speeldernis aan de zuidkant van het bestemmingsplangebied biedt alleen al door de afstand geen compensatie voor het verlies en speelgelegenheid aan de Maerten Trompstraat. Bovendien behelst het gemeentelijke plan een iets andere inrichting en gebruik van een een terrein dat al een groene bestemming heeft. Het komt verder in de nabijheid te liggen van nieuwe woninglocaties. Wij vermoeden dan ook dat het plan voor deze speeldernis meer te maken heeft met de verkoopbaarheid van die projecten dan met compensering van elders verwoest groen.

Vertrouwend u van dienst te zijn geweest, tekent.

Met vriendelijke groeten,

L.C. van Doorn


Delft, 6 mei 2007

Betreft: Bedenkingen tegen aangevraagde vrijstelling t.b.v. de bouw van zeven woningen aan de Maerten Trompstraat door toepassing van art. 19, lid 2 WRO (zie ook hier voor de bestrijding van de aangevraagde bouwvergunning dd. 25-02-2007)

Aan: Het college van Burgemeester en Wethouder

Geacht college,

1. Voor de aangevraagde vrijstelling is geen ruimtelijke onderbouwing voorhanden. Verlening van de vrijstelling kan o.i dus niet aan de orde zijn.

De gemeente Delft gebruikt als ruimtelijke onderbouwing van vrijstellingen ontwikkelingsplannen. Het Ontwikkelingsplan Mijnbouwstraat/MaertenTrompstraat evenwel bevat niets wat daar ook maar op lijkt. Het ontwikkelingsplan is slechts een projectbeschrijving. Er wordt geen samenhang aangebracht met en zelfs niet gerefereerd aan hogere schaalniveaus en door de gemeente vastgesteld kaderstellend beleid. M.a.w., de gemeente Delft maakt ontwikkelingsplannen (en ruimtelijke plannen in het algemeen) zonder aan te geven hoe zijn zich verhouden tot kaderstellende lokale plannen en of en hoe zulke plannen daarmee in overeenstemming zijn gebracht of er eventueel logisch uit voortvloeien.

De enige plannen van een hoger schaalniveau die worden genoemd zijn resp. de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (1999), de nota Ruimte (2005), het streekplan Zuid-Holland West (2003) en het Regionaal Structuurplan Haaglanden (2002). Uit het streekplan wordt opgediept dat dit plan uitgaat van de bouw van een "substantieel aantal woningen in het streekplangebied", maar vreemd genoeg worden de beleidslijnen uit de nota Ruimte (er staat tenslotte een opvallend richtgetal in voor openbaar groen) van een "dusdanig hoog abstractieniveau" gevonden dat er geen directe beleidsvoornemens voor het plangebied uit gedistilleerd kunnen worden.

Wij menen voorts dat de gemeente Delft met zijn verdichtingsplannen - voor zover die ten koste gaan van stedelijk groen en in het bijzonder dus ook wat betreft dit ontwikkelingsplan - niet aan de voorwaarden van het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) heeft voldaan en zich bijgevolg zorgen zal moeten maken over terugbetaling van een deel van de 130 miljoen Euro die in de periode 2000-2009 wordt getoucheerd.

Een veel ernstiger tekortkoming van het ontwikkelingsplan is het ontbreken van de relaties met het bestemmingsplan waar het bewuste gebied deel van moet gaan uitmaken en - nog belangrijker - het gemeentelijk kaderstellend beleid. Deze beide niveaus worden hier kort aangeduid:

  • Bestemmingsplan TU Noord. In dit bestemmingsplan wordt slechts de "kwaliteitsimpuls" van de Maerten Trompstraat genoemd en dat het plan deel uitmaakt (zal uitmaken) van het bestemmingsplan, terwijl het Omtwikkelingsplan op zijn beurt slechts verwijst naar het bestemmingsplan waarin de bestemmingswijziging zal worden opgenomen. Noch in het ontwerpbestemmingsplan TU Noord, noch in het bewuste ontwikkelingsplan is dus iets van een ruimtelijke onderbouwing te vinden.
  • Het meest opmerkelijke in het ontwikkelingsplan (en trouwens ook in de gemeentelijke bestemmingsplannen die in procedure zijn) is wel dat de Ontwikkelingsvisie Delft 2025 en de Delftse OntwikkelingsProgramma's (2000-2004 en 2005-2009) niet als kader voor bestemmingsplannen en vrijstellingen dienst doen.

In het ontwikkelingsplan zoekt men ook al tevergeefs naar verbanden met meer vrijblijvende documenten zoals collegeprogramma's en coalitieaccoorden. Ook deze verbanden worden -wijselijk - niet gelegd, want men vindt er weinig en slechts tegengestelde programmapunten in, zoals in het coaltieaccoord van voorjaar 2006: (p. 12): "In alle bouwprojecten gebruikt Delft de beschikbare grond intensief, om extra ruimte te maken voor openbaar groen."

Wellicht ten overvloede hebben wij de relevante punten uit diverse richtinggevende plandocumenten in Bijlage 1 gekenschetst. De strijdigheid van het ontwikkelingsplan Mijnbouwstraat/Maerten Trompstraat met deze bepalende teksten is overduidelijk. Voor de vrijstellingsaanvraag maakt dit overigens niet uit. Het ontbreken van de ruimtelijke onderbouwing kan immers niet anders dan tot afwijzing van de aanvraag leiden.

2. Het verlenen van de planologische vrijstelling zal een degradatie van de zeeheldenbuurt en van het hele TU Noordgebied tot gevolg hebben

Het bouwen van 7 kavels aan de Maerten Trompstraat gaat ten koste van rijke stadsnatuur en van de "groene setting" van de zeeheldenbuurt. Het "toevoegen" van de zeven "grond gebonden" woningen verandert de zeeheldenbuurt juist van een zeer gevarieerd woning bestand in een groene omgeving naar een gevarieerd woningbestand in een "stenen setting". Wat als een "kwaliteitsimpuls" wordt gepresenteerd in het ontwikkelingsplan, betekent een aantasting van de kwaliteit van een smaakvolle wijk met een gevarieerde mix van woningen.

Bij het opmaken van de balans van stedelijk groen en bouwen in het gehele TU Noordgebied (Ecologieplan: het handhaven van een evenwichtige verhouding tussen natuur en bebouwing) blijkt overduidelijk dat een groene bestemming van het gehele terrein achter het schoolgebouw niet gemist kan worden. Het bestemmingsplangebied dreigt uit te komen op slechts 10 m2 openbaar groen per huishouden. Wij wijzen hierbij op gegevens van het Natuur- en milieucompendium (zie hieronder), die op 11 m2 per huishouden uitkomt, en op onze eigen analyse, die wij u reeds eerder toezonden maar voor het gemak even herhalen: als aan de ongeveer 4600 woonruimtes in TU-noordgebeid voor 2011 nog 2099 eenheden zijn toegevoegd, betekent het dat dit stadsdeel terugzakt van 15 m2 naar 10,3 m2 per woonruimte.

3. Er is geen spoedeisend belang gediend met het vooruitlopen op het geldig worden van het bestemmingsplan TU Noord.

We onderzoeken nu een ander aspect waar een planologische vrijstelling aan moet voldoen, nl. een spoedeisend belang om op het herziene bestemmingsplan vooruit te lopen.

Vanuit het gezichtspunt van de gemeente Delft ontbreekt een spoedeisend belang omdat het gemeentebeleid juist belang heeft bij een toetsing van het bestemmingsplan door toezichthoudende instanties. Het door de gemeente vastgestelde bestemmingsplan kent tal van tekortkomingen en een groot gebrek aan ruimtelijke onderbouwing. De gemeente zal dus kunnen profiteren van de correcties die bij de toetsing van het bestemmingsplan zijn te verwachten.

Aanvankelijk speelde bij het gemeentelijke ongeduld een rol dat bewoners van de Van Leeuwenhoeksingel, die uit hun huis worden verdreven door de komst van de spoortunnel, aan de Maerten Trompstraat een nieuwe woning zouden kunnen betrekken. Het risico dat de toezeggingen aan die bewoners de aanleg van de spoortunnel zouden kunnen vertragen wilde men koste wat kost vermijden. Het is deze panische reactie die naar onze smaak heeft veroorzaakt dat de projectaanpak zo onzorgvuldig - zonder respectering van kaderstellend beleid - is geweest. Later bleken deze bewoners overigens niet gecharmeerd van de gemeentelijke voorstellen en kwam het ontwikkelingsplan in feite volledig in de lucht te hangen.

Vanuit het gezichtspunt van het ROC-Mondriaan is het aantrekkelijke van het gemeentelijk arrangement dat publiek geld wordt toegevoegd aan door (gehoopte) bestemmingswijziging te verwerven opbrengsten. Deze voordelige kant is inmiddels geheel in zijn tegendeel verkeerd: het plan voor woningen op het schoolterrein blijkt het herontwikkelen van het schoolgebouw zo goed als onmogelijk onmogelijk te maken. Het bestemmen als stedelijk groen (of het handhaven van de educatieve bestemming met veel groen) zou de waarde van het schoolgebouw juist fors doen toenemen.

Het is een publiek geheim dat ROC Mondriaan met de handen in het haar zit. Al in de jaren '80 was duidelijk dat voortzetting van het onderwijs op deze lokatie alleen tegen hoge jaarlijkse kosten van onderhoud mogelijk was (mondelinge mededeling van de toenmalige directeur).

Door de vrijstelling niet te verlenen wordt o.i. dan ook het belang van ROC Mondriaan meer gediend dan door de gesubsidieerde verkoop aan de kavelkopers.

Het is aannemelijk dat vanuit het gezichtspunt van de kavelkopers spoed gewenst is. Zij waren er in een gesprek (juni 2006) door ons van op de hoogte gesteld dat de planologische procedures nog zouden moeten starten en dat wij de verdichting van het TU Noordgebied uiterst kritisch benaderden. Dat zij zich daarover destijds verbaasden omdat zij meenden te weten dat de vrijstelling van het bestemmingsplan reeds was verleend, duidt erop dat zij door de projectleider niet vlekkeloos zijn geïnformeerd.

Zij zijn verder mogelijk misleid door de kap van bomen en de sanering, die - o.i. onrechtmatig - vanaf 15 januari hebben plaatsgevonden en die bij burgers de mening zouden hebben kunnen voeden dat niets meer de realisering van hún droomwoning (en tot schade van het TU Noordgebied) in de weg staat. Zij laten zich bovendien een de facto subsidie van nagenoeg 70.000 Euro per woning uiteraard niet graag ontglippen.

4. Slot

Wij hopen vanzelfsprekend dat het dagelijks bestuur van de gemeente Delft de rollen van resp. aanjager van een onjuist plan en die van onafhankelijk beoordelaar van een vrijstellings aanvraag uit elkaar zal kunnen houden. Wij roepen u op de afwijzing van de vrijstellings aanvraag vooral ook van de positieve kant te bezien, nl. als een startpunt voor een evenwich tiger stadsontwikkelingsbeleid voor de hele stad. Dat zal alleen lukken als de rationaliteit en de wetenschappelijke basis van het beleid in de plaats komen van de ideologische bezwe ringen die het Delfts stadsontwikkelingsbeleid in de afgelopen drie jaar zo ontsierd hebben.

Vertrouwend u van dienst te zijn geweest, tekent.

Met vriendelijke groeten,

L.C. van Doorn

Deze brief is ook na te lezen op de webstek van de Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft: http://ind.datadelft.com/bd_vrijstellingmt.htm.


Bijlage 1 (bij de brief van 6 mei 2007)

In dit overzicht van beleidsdocumenten zetten wij de relevante punten op een rij. .

Ontwikkelingsvisie Delft 2025

Deze visie op de ontwikkeling van Delft, tot stand gekomen na brede raadplegingen tussen 1993 en 1997, is een notitie in telegramstijl met kaartbeelden over de Delftse stadsontwikkeling tot 2025. Het verscheen pas eind 1998 in druk, met daarbij het voornemen om de visie binnen drie jaar verder uit te werken en te verdiepen. Dat is niet gebeurd; wel zijn er met het doel middelen uit het VROM-investeringsprogramma Stedelijke Vernieuwing (ISV) te verkrijgen, Delftse Ontwikkelingsprogramma's (DOP) uit voortgekomen. We lichten enkele punten uit deze ontwikkelingsvisie:

p. 08: "Anderzijds zullen niet Delftenaren al in toenemende mate gebruik maken van Delftse voorzieningen".

[Commentaar: Dit wordt vanuit een gemeentelijke boekhoudersvisie als een negatief punt gezien, maar ons ontgaat het wat het onaantrekkelijke ervan is. Detailhandel en horeca zullen er juist blij mee zijn, en in het algemeen geldt dat aantrekkelijke steden - het woord zegt het al - publiek van elders lokken. In het DOP 2005-2009 wordt dit ook erkend.]

p. 08: "De VINEX-afspraken over een binnenstedelijke bouwstroom heeft Delft al vervuld".

[Commentaar: !!!]

p. 09: (bij de sterke punten van Delft in de regio): "Groene omgeving".

[Wij tekenen bij dit 'sterke' punt aan dat het gebrek aan groene omgeving buiten de bebouwde kom juist een grote zwakte is van Delft. Vergeleken met alle steden van Nederland van soortgelijke omvang is de omgeving van Delft bijzonder onaantrekkelijk, en in de periode 1998 - 2007 nog dramatisch verslechterd. Aan de noord- en zuidkant beperken de agglomeraties van Den Haag en Rotterdam, die bij Pijnacker-Zuid zelfs al tegen elkaar aan gegroeid zijn, de groene buitenruimte, Naar het westen overheerst een massief glastuinbouwgebied, een van de meest toxische gebieden van de wereld, en in het oosten is er een met glas verrommeld gebied ontstaan met nog slechts een groen residu van 2000 ha. Deze zeer benauwende omstandigheden maken ook dat het nog compacter maken van een stad die in 1998 al beoordeeld werd als compact, tot een heilloze onderneming.]

p. 11 (bij sterke punten van Delft op zich): "ruimte voor verdichting in de TU-wijk."

[Commentaar: De kaartbeelden in het visiedocument sluiten de ruimte aan de Maerten Trompstraat nadrukkelijk uit, het gaat hier om terreinen van de Technische Universiteit.]

p. 14 (wonen in kennisstad): "Delft moet een aantrekkelijk woonmlieu bieden, zowel in de directe omtrek van het eigen huis als in de verdere omgeving." ( … ) Bij Uitwerking: "Als gevolg van de Vinex zal het inwonertal de komende jaren dalen van 94.500 naar 89.000 rond 2003" (… ) Bij Acties: "Herstructurering van wijken in samenwerking met corporaties; omzetting van minder gewilde gestapelde (huur)woonvormen naar meer marktconforme woonvormen, stadsvernieuwingsprojecten, differentiatie en upgrading woningaanbod, verdunning huidige dichtheid en renovatie openbare ruimte: 1. Wippolder 2. Kuiperwijk 3. Popahof, 4. Gillis 5. Delfgauwse Wije.

[Commentaar: Zo aan de tekst op p. 14 van de Ontwikkelingsvisie 2025 al conclusies over het bouwen aan de Maerten Trompstraat te ontlenen zijn, dan toch vooral negatieve. Met de bevolkingsprognose sloeg men overigens de plank daverend mis. De Delftse bevolking bleef tot 2000 groeien tot 97.000, en daalde in 2003 tot 96.000 (dus nog altijd flink meer dan in 1997) en tot 95.000 in 2006.]

Delfts Ontwikkelingsprogramma 2010-2015 (voor ISV-2, 2005-2009):

In § 3.2 over de sterke en zwakke punten: "Tenslotte kent Delft in het algemeen weinig ruim opgezette groenstedelijke wijken en woningen." En: "Delft kent hier en daar enkele tekortkomingen met betrekking tot de omgevingskwaliteit."

In § 3.3 over de kansen en bedreigingen wordt als fysieke kans aangedragen: "De stad Delft is compact". En bij de bedreigingen wordt vastgesteld: "Verder kan ook een te grote verdichting van bepaalde delen van de stad een bedreiging vormen voor de leefbaarheid in het algemeen." Kennelijk is het het gemeentebestuur ontgaan dat deze bedreiging een verband heeft met een zg. kennis-economische bedreiging die in dezelfde § wordt genoemd, nl. de beperkte huisvestingsmogelijkheden van hoger personeel.

In het hoofdstuk Delft in 2015, een schets van de resultaten die men met dit beleid zegt te willen behalen, wordt de niet onevenwichtige benadering van het ontwikkelingsprogramma doorgetrokken. "Daarnaast is verdichting en intensief ruimtegebruik gerealiseerd en heeft waar mogelijk verdunning plaatsgevonden, bijvoorbeeld bij herstructurering om groen en water in de wijk te brengen." En in het hoofdstuk met de programmatische uitwerking (§ over differentiatie woonmilieus, wordt "voldoende aanbod van woningen in een groen tuinstedelijk milieu" wordt bepleit. Het noordelijk TU-gebied tenslotte wordt in § 5.7 geprezen "gezien de kwaliteiten van het gebied - monumentale gebouwing in een parkachtige setting", een waardering die door het bestemmingsplan TU-noord op geen enkele wijze wordt beschermd en ondersteund.

Delfts Ontwikkelingsprogramma 2000-2004

Het eerste DOP is iets anders van toon dan het tweede, omdat het gebrek aan ruimte - ruimte voor nieuwe bouwlokaties wordt hier onveranderlijk mee bedoeld - goed is voor een flinke klaagzang. Delft wordt daardoor afhankelijk van omliggende gemeenten (stel je voor!) en er dreigt een drastische bevolkingsafname en navenante vermindering van draagvlak voor voorzieningen. Toch wordt er - terecht - bij het perspectief voor 2010 op gerekend dat het compacte Delft zich "op een goede manier verankerd heeft in het (boven)regionale netwerk, in het bijzonder de VINEX-locaties, die vooral qua voorzieningen en in iets mindere mate qua werkgelegenheid ook geöriënteerd zijn op Delft." Door de minimale aandacht voor ecologie en omgevingskwaliteit in deze versie sluit deze DOP nauwelijks aan op de Ontwikkelingsvisie Delft 2025. Bij het gebiedsgerichte programma is er ruim een pagina gewijd aan het TU-gebied, maar ook hier uitsluitend doelend op het (voormalig) terrein van de universiteit (TU Noord, TU Midden en Technopolis).

Ondanks dat er in de jaren 2000-2009 een 130 miljoen Euro voor Delft wordt uitgetrokken en Ontwikkelingsvisie en Ontwikkelingsprogramma's bij het verwerven daarvan een centrale rol spelen, leiden al deze ruimtelijke beleidsnota's een verborgen bestaan. Ze worden niet gebruikt bij de onderbouwing van ontwikkelingsplannen, bestemmingsplannen, gebiedsvisies en andere ruimtelijke plannen van de gemeente Delft. Door deze centrale beleidskaders niet als vertrekpunt te nemen, heeft het Delftse ruimtelijk beleid een volstrekt opportunistisch karakter gekregen en geeft het gemeentebestuur de Delftse burgers de indruk met verborgen agenda's te werken.

Ecologieplan 2004-2015

[samenvatting in diverse bestemmingsplantoelichtingen] "Het ecologieplan Delft richt zich op het realiseren van een duurzame blauwgroene structuur in de gemeente Delft. Het schetst de ecologische structuur, die als breder kader dient voor toekomstig beleid en projecten.

De hoofddoelstellingen in het Ecologieplan zijn

- het realiseren en uitbouwen van een kwalitatief hoogwaardige ecologische structuur;

- het handhaven van een evenwichtige verhouding tussen natuur en bebouwing, rekening houdend met bereikbaarheid en natuurlijke kwaliteit van gebieden.

Deze hoofddoelstellingen zijn vanuit een integrale visie op een natuurlijke en leefbare stad in het Ecologieplan nader uitgewerkt. Het plan dient tevens als instrument om korte en middellange termijn ambities te realiseren. In het plan wordt ingegaan op kansen zoals o.a. het verbeteren van de sociale omgeving, van de fysieke omgeving en van de economische omgeving. Tevens wordt ingegaan op uitdagingen als het verminderen van de stedelijke druk, het opheffen van barrières, het verbeteren van dimensies van bermen, oevers en watergangen, en het verbeteren van de water- en ecologische kwaliteit."

[Commentaar] Helaas is dit ecologieplan tot dusver door de gemeentelijke organisatie slechts geïnterpreteerd als een vrijbrief voor natuurafbraak. De bomenkap aan de Maerten Trompstraat is in de verleende kapvergunning verdedigd met het argument dat de bomen (en struwelen niet te vergeten) niet behoorden tot de ecologische hoofdstructuur. (Wij hebben overigens tegen deze verleende kapvergunning geen beroep aangetekend omdat wij ervan overtuigd zijn dat het bouwplan geen hout snijdt.) Het groen ín de ecologische hoofdstructuur is al evenmin veilig, zoals nu is te zien aan het Zuidplantsoen en zoals ook is op te maken uit de teksten van de Gebiedsvisie Voorhof Zuid-West. De werkelijke bedoeling van het ecologieplan kan men in het partijkrantje van de bewuste wethouder (feb. 2006) lezen: "de nota over de Ecologische hoofdstructuur (wordt) bepaald welk groen belangrijk is voor de ecologie in de stad en welk groen niet. Indirect bepaalt dit dus op welke open plekken nog bouwmogelijkheden zijn." De notie van een evenwichtige verhouding tussen natuur en bebouwing leefde dus niet erg bij het toenmalige gemeentebestuur, en dat is intussen niet veranderd. Aan het ecologieplan wordt in tegenstelling tot Ontwikkelingsvisie en DOP's wordt overigens wel in ruimtelijke plannen gerefereerd, maar dan steeds op een manier die aan het ecologieplan zelf vreemd is. Even vreemd als het bouwen van winterverblijven voor vleermuizen waar de fourageergebieden (bomen, struelen) in hoog tempo worden gesloopt.

Beleidskader ISV (Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (VROM))

Onder 9 Omgevingskwaliteit: "Het rijk verwacht van de gemeenten speciale maatregelen om te komen tot meer en betere groenvoorzieningen in de dagelijkse leefomgeving en in de stad als geheel. Voor grotere groenprojecten in de stad maakt het rijk aparte afspraken met de betrokken gemeenten. In de ontwikkelingsprogramma's geven de gemeenten aan hoe deze projecten samenhangen met het groen buiten de stad en hoe ze worden beheerd en ingericht. Ook gaan de gemeenten in op de ecologische waarde van de groenprojecten en de mogelijkheden voor recreatie."

En onder 11 Zorgvuldig ruimtegebruik: "De gemeente geeft in het ontwikkelingsprogramma aan welke (woon)gebieden kunnen worden verdund en welke verdicht. Verdichting is vooral gewenst rond stedelijke vervoersknooppunten."

VROM neemt het stedelijk groen in het kader van de stedelijke vernieuwing zeer serieus. De tekst van het beleidskader ISV (1999) wees daar al op, maar bijvoorbeeld ook met de nieuwe brochure "Met groen meer stad, nieuwe impulsen voor stedelijk groen" en een aanstaand initiatief van de ministeries van LNV en VROM samen (juni 2007) moet de pogingen van het Rijk ondersteunen om de onbedoelde ontwikkelingen bij gemeenten te corrigeren.