bezwaar
kapvergunning - 13
april 2005 | zienswijze
ontwikkelingsplan Mijnbouwstraat
- 7 maart 2005 brief
aan de raadscommissie Duurzaamheid van 7 januari
2006 Betreft:
Bezwaarschrift inzake
het verlening van een vrijstelling ex artikel 19 lid 2
WRO en bouwvergunning voor de bouwplannen aan de Maerten
Trompstraat Aan:
College van B&W van Delft Geacht college, Tegen de door u verleende
bouwvergunning en planologische vrijstelling aangaande de
bouwplannen aan de Maerten Trompstraat (zie uw brief van
20-08-2007 met kenmerk BWT/20158604) hebben wij
onoverkomelijke bezwaren. Aan de hand van uw reactie op door
ons ingediende bezwaren, neergelegd in uw brief van
8-08-2007 met kenmerk BWT/20157569, zullen wij u hieronder
laten zien dat die reactie niet voldoet. De kern van de discussie is
vanzelfsprekend hetgeen in punt 3 van uw reactie ter tafel
wordt gebracht. Maar ook op de bij 2, 4 en 5 gemaakte
opmerkingen geven wij een kort commentaar. Ad 2. Het
bestemmingsplan TU-noord is inderdaad inmiddels door de
Delftse gemeenteraad vastgesteld. Het is nog bij de
provincie in procedure en zal mogelijk ook nog bij de Raad
van State ter sprake komen. Van mogelijk nog groter
belang is het om vast te stellen dat de goedkeuring van het
bestemmingsplan door de gemeenteraad met de kleinst
mogelijke meerderheid gebeurde en dat er bij de
besluitvorming van machtspolitieke druk sprake was.
Dergelijke omstandigheden zijn bij dergelijke besluiten in
gemeenteraden tamelijk zeldzaam, waardoor het toch al zo
fragiele bestemmingsplan niet aan overtuigingskracht
wint. Bij de "goede ruimtelijke
onderbouwing" wijst u er terecht op dat de gemeente vrij is
bij de invulling van dit criterium wat naamgeving en vorm
betreft, maar dat inhoudelijk moet worden ingegaan op de
relatie tussen ontwikkelingsplan en bestemmingsplan. Het
Ontwikkelingsplan Mijnbouwstraat/Maerten Trompstraat voldoet
wat dit betreft in geen enkel opzicht. De wederzijdse
verbanden worden slechts aangeduid met een vermelding, er
vindt geen analyse plaats. Het is beschamend dat bestuur en
uitvoerenden van de gemeentelijke organisatie zelfs geen
poging daartoe hebben ondernomen. Ad 3. Uw mededeling
dat het bij de motivering of een beoogd project in de
toekomstige bestemming past om een "relatief nieuw fenomeen"
gaat, wijst er al op dat de gemeente Delft niet al te
vertrouwd is met de moderne stadsplanning. Het doen
voorkomen dat diverse beleidsterreinen en relevante
ontwikkelingen dan wel niet in de tekst van het
Ontwikkelingsplan zijn opgenomen, maar dat dat nog niet
betekent dat die buiten beschouwing zijn gelaten, wantrouwen
wij zeer en beschouwen wij eerder als erkenning van de
onzorgvuldige en onprofessionele stadsplanning die de
gemeente Delft erop na houdt. Dit sluit ook aan op wat het
hoofd van uw vakteam RO begin juli in het openbaar bekend
maakte, nl. dat een bredere blik bij de aanpak en bouw van
wijken nodig zou zijn. "Er zijn nu heel veel losse
bouwprojecten, maar wat betekent dat voor een gebied?", zo
vroeg hij zich af. Wij beschouwen deze hartekreet als een
bevestiging van onze analyse dat het onderzoeken van
verbanden en het bestuderen van de gevolgen van bouwplannen
voor stadswijken en zijn bewoners domweg niet plaatsvond.
Niemand zal ontkennen dat de
gemeente beleidsvrijheid heeft. Maar het beroep op die
beleidsvrijheid is in dit geval wel bijzonder weinig
overtuigend; wij zien het als kennisgeving aan de burger dat
de gemeente zichzelf het recht geeft om maar wat aan te
rommelen en zelfs diametraal tegenover zijn eigen
beleidslijnen te opereren. Een aanwijzing dat het
aanroepen van de beleidsvrijheid erg lichtvaardig gebeurt,
is dat in het Ontwikkelingsplan met geen woord gerept wordt
over het niet passen in bestaand beleid (afgezien uiteraard
van het oude bestemmingsplan) en dat die beleidsvrijheid
moet te hulp moet woden geroepen. De beleidsvrijheid wordt
er nu, achteraf, met de haren bijgesleept om de inadequate
planvorming te verhullen. Van belang hierbij is dat
het benutten van deze beleidsvrijheid niet alleen kwalijk is
vanwege de strijdigheid met andere beleidslijnen binnen het
planologische domein, maar ook met het lokaalpolitieke
domein. Spectaculair is de strijdigheid met het
coalitieaccoord, met de passage "In alle bouwprojecten
gebruikt Delft de beschikbare grond intensief, om extra
ruimte te maken voor openbaar groen." In TU-noord evenwel
worden de bouwprojecten (ruim 2000 wooneenheden) alle
uitgevoerd zonder deze extra ruimte te scheppen. Groene
terreinen aan de Maerten Trompstraat en aan de oostelijke
kant van de Julianalaan, beide juridisch gesproken geen
gemeentelijk groen, bieden de gemeente bij uitstek de kans
om bij de intensivering en functieveranderingen in TU-noord
en TU-midden daadwerkelijk invulling te geven aan de mooie
woorden. Want anders voldoet de lokale overheid niet meer
aan redelijke eisen van voorspelbaarheid en democratische
legitimatie. Bij deze beleidsvrijheid
schaamt de gemeente ner zich er verder niet voor om beleid
van hogere schaal te schofferen. Het beleidskader ISV
(Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing) zowel als de
nota Ruimte wijden krachtige passages aan de betekenis en
omvang van het stedelijk groen, waarbij heel recent de
minister van VROM (Terra Nova mei 2007) goed aansluit: "Ook
mag er geen groen uit de stad verdwijnen". De gemeente past
het niet om recht tegen deze algemeen aanvaarde opvattingen
over gezonde steden in te gaan. Recente plannen van de
gemeente Delft om het Handboek Bestemmingsplannen op dit
punt aan te passen, om meer ruimte te maken voor
speelplaatsen en om het bomenbeleid te heroverwegen geven
wel aan, dat het Delfts gemeentebestuur begint begint te
vermoeden dat er iets scheef zit met zijn prioriteiten, maar
die bewustwording mag wat ons betreft wel wat sneller
gaan. Dat het bij het terrein aan
de Maerten Trompstraat om een particulier terrein gaat (we
hadden al langer het idee dat Delft bestuurd wordt door
juristen), doet weinig ter zake. De ontwikkelingen in het
TU-noordgebied overziende had de gemeente Delft tenminste
een alternatief plan moeten uitwerken, waarbij in een
stadsdeel waar een grote intensivering en verdichting op de
rol is gezet, het geven van een groene bestemming aan het
terrein meer dan voor de hand had gelegen. Het afstoten van
het terrein, dat in een kleine 30 jaar was geëvolueerd
tot een terrein met hoge natuurwaarden en een geliefd
speelterrein, door de eigenaar was de uitgelezen kans voor
het werken aan een gezonde stad - in een stadsdeel met op
veel plaatsen een luchtkwaliteit die niet aan de normen voor
2008 zal voldoen geen overbodige luxe. Maar ja, in een
gemeentelijke organisatie waar het bouwen van boomhutten
door kinderen al direct tot kap van de bomen aanleiding
geeft, denkt men liever niet aan zulke
alternatieven. Zoals u zelf al aangeeft is
Delft een compacte stad. Het idee dat een compacte stad
dient te worden verdicht is onlogisch en praktisch gesproken
in strijd met redelijke eisen van leefomgevingskwaliteit.
Steden die niet compact zijn lenen zich voor verdichting,
compacte steden veel minder. Het toevoegen van grondgebonden
woningen aan de woningvoorraad kan Delft met gemak
realiseren, bijvoorbeeld in de Harnaschpolder. Het toevoegen
van grondgebonden woningen in de Maerten Trompstraat doet er
juist af aan de kwaliteit van wonen. De motivering dat
verdichting van de reeds compacte stad Delft geboden is om
het buitengebied te ontzien beschouwen wij als een
flauwiteit. De gemeente Delft heeft in stadsgewestelijk
verband nimmer een bijdrage geleverd aan het beschermen van
open landschappen in deze regio. Het buitengebied van Delft
kent slecht enkele kleine smaakvolle landschappen, en het
gebrek aan buitengebieden met voldoende kwaliteit en schaal
maakt Delft tot een van de onaantrekkelijkste woonsteden van
Nederland. Het opofferen van groen en natuur in de stad
maakt dit alleen maar veel erger. Het stadsgewest Haaglanden
staat inmiddels dan ook bekend als het gebied waar de
verrommeling de afgelopen 10 jaar het sterkst heeft
toegeslagen. Wat u in de beantwoording
over de punten d. en e. (op p. 4) te berde brengt,
beschouwen wij met het bovenstaande tevens beantwoord.
Ad 4. Het provinciaal
beleid aangaande de vrijstellingen die gemeenten kunnen
verlenen, is wellicht voor gemeentelijke politici en
ambtenaren transparant, maar voor burgers een gesloten boek.
Verklaringen van geen bezwaar worden niet zelden
lichtvaardig - om niet te zeggen ongeïnteresseerd -
verleend. Het vrijstellingenbeleid wordt bovendien aan het
begin van elk jaar aan de gemeenten bekendgemaakt, niet aan
de burgers. Wat de mogelijkheden om het
bouwplan te beïnvloeden betreft wijzen wij er op dat
ondanks sterk kritische commentaren die door ons aan de
raadsleden werden gestuurd, het dagelijk bestuur van de
gemeente niet de moed heeft gehad de discussie met de
georganiseerde natuur- en milieubescherming aan te gaan
(iets wat het Delftse bestuur sinds eind 90-er jaren niet
meer nodig vindt). Ook in het Duurzaamheidsplatform is het
onderwerp Ontwikkelingsplan Mijnbouwstraat/Maerten
Trompstraat niet geagendeerd. Zelfs het kappen van bomen
ruim voor het verlenen van de bouwvergunning (januari 2007)
is er niet aan de orde gesteld. Het gemeentebestuur heeft
wel over het plan gesproken met enkele omwonenden. Die
contacten beperkten zich tot kleine aanpassingen binnen de
door de gemeente als voldongen feit gepresenteerde plan.
Hetzelfde geldt voor het gedecimeerde
speelterrein. Ad 5. Het nog niet
uitgekristalliseerde gemeentelijke plan voor een speeldernis
aan de zuidkant van het bestemmingsplangebied biedt alleen
al door de afstand geen compensatie voor het verlies en
speelgelegenheid aan de Maerten Trompstraat. Bovendien
behelst het gemeentelijke plan een iets andere inrichting en
gebruik van een een terrein dat al een groene bestemming
heeft. Het komt verder in de nabijheid te liggen van nieuwe
woninglocaties. Wij vermoeden dan ook dat het plan voor deze
speeldernis meer te maken heeft met de verkoopbaarheid van
die projecten dan met compensering van elders verwoest
groen. Vertrouwend u van dienst te
zijn geweest, tekent. Met vriendelijke
groeten, L.C. van Doorn
Betreft:
Bedenkingen tegen
aangevraagde vrijstelling t.b.v. de bouw van zeven
woningen aan de Maerten Trompstraat door toepassing van
art. 19, lid 2 WRO (zie ook hier
voor de bestrijding van de aangevraagde bouwvergunning
dd. 25-02-2007) Geacht college, De gemeente Delft gebruikt
als ruimtelijke onderbouwing van vrijstellingen
ontwikkelingsplannen. Het Ontwikkelingsplan
Mijnbouwstraat/MaertenTrompstraat evenwel bevat niets wat
daar ook maar op lijkt. Het ontwikkelingsplan is slechts een
projectbeschrijving. Er wordt geen samenhang aangebracht met
en zelfs niet gerefereerd aan hogere schaalniveaus en door
de gemeente vastgesteld kaderstellend beleid. M.a.w., de
gemeente Delft maakt ontwikkelingsplannen (en ruimtelijke
plannen in het algemeen) zonder aan te geven hoe zijn zich
verhouden tot kaderstellende lokale plannen en of en hoe
zulke plannen daarmee in overeenstemming zijn gebracht of er
eventueel logisch uit voortvloeien. De enige plannen van een
hoger schaalniveau die worden genoemd zijn resp. de Vierde
Nota Ruimtelijke Ordening Extra (1999), de nota Ruimte
(2005), het streekplan Zuid-Holland West (2003) en het
Regionaal Structuurplan Haaglanden (2002). Uit het
streekplan wordt opgediept dat dit plan uitgaat van de bouw
van een "substantieel aantal woningen in het
streekplangebied", maar vreemd genoeg worden de
beleidslijnen uit de nota Ruimte (er staat tenslotte een
opvallend richtgetal in voor openbaar groen) van een
"dusdanig hoog abstractieniveau" gevonden dat er geen
directe beleidsvoornemens voor het plangebied uit
gedistilleerd kunnen worden. Wij menen voorts dat de
gemeente Delft met zijn verdichtingsplannen - voor zover die
ten koste gaan van stedelijk groen en in het bijzonder dus
ook wat betreft dit ontwikkelingsplan - niet aan de
voorwaarden van het Investeringsbudget Stedelijke
Vernieuwing (ISV) heeft voldaan en zich bijgevolg zorgen zal
moeten maken over terugbetaling van een deel van de 130
miljoen Euro die in de periode 2000-2009 wordt
getoucheerd. Een veel ernstiger
tekortkoming van het ontwikkelingsplan is het ontbreken van
de relaties met het bestemmingsplan waar het bewuste gebied
deel van moet gaan uitmaken en - nog belangrijker - het
gemeentelijk kaderstellend beleid. Deze beide niveaus worden
hier kort aangeduid: In het ontwikkelingsplan
zoekt men ook al tevergeefs naar verbanden met meer
vrijblijvende documenten zoals collegeprogramma's en
coalitieaccoorden. Ook deze verbanden worden -wijselijk -
niet gelegd, want men vindt er weinig en slechts
tegengestelde programmapunten in, zoals in het
coaltieaccoord van voorjaar 2006: (p. 12): "In alle
bouwprojecten gebruikt Delft de beschikbare grond intensief,
om extra ruimte te maken voor openbaar groen." Wellicht ten overvloede
hebben wij de relevante punten uit diverse richtinggevende
plandocumenten in Bijlage 1 gekenschetst. De strijdigheid
van het ontwikkelingsplan Mijnbouwstraat/Maerten Trompstraat
met deze bepalende teksten is overduidelijk. Voor de
vrijstellingsaanvraag maakt dit overigens niet uit. Het
ontbreken van de ruimtelijke onderbouwing kan immers niet
anders dan tot afwijzing van de aanvraag leiden. Het bouwen van 7 kavels aan
de Maerten Trompstraat gaat ten koste van rijke stadsnatuur
en van de "groene setting" van de zeeheldenbuurt. Het
"toevoegen" van de zeven "grond gebonden" woningen verandert
de zeeheldenbuurt juist van een zeer gevarieerd woning
bestand in een groene omgeving naar een gevarieerd
woningbestand in een "stenen setting". Wat als een
"kwaliteitsimpuls" wordt gepresenteerd in het
ontwikkelingsplan, betekent een aantasting van de kwaliteit
van een smaakvolle wijk met een gevarieerde mix van
woningen. Bij het opmaken van de
balans van stedelijk groen en bouwen in het gehele TU
Noordgebied (Ecologieplan: het handhaven van een
evenwichtige verhouding tussen natuur en bebouwing) blijkt
overduidelijk dat een groene bestemming van het gehele
terrein achter het schoolgebouw niet gemist kan worden. Het
bestemmingsplangebied dreigt uit te komen op slechts 10 m2
openbaar groen per huishouden. Wij wijzen hierbij op
gegevens van het Natuur- en milieucompendium (zie
hieronder), die op 11 m2 per huishouden uitkomt, en op onze
eigen analyse, die wij u reeds eerder toezonden maar voor
het gemak even herhalen: als aan de ongeveer 4600
woonruimtes in TU-noordgebeid voor 2011 nog 2099 eenheden
zijn toegevoegd, betekent het dat dit stadsdeel terugzakt
van 15 m2 naar 10,3 m2 per woonruimte. We onderzoeken nu een ander
aspect waar een planologische vrijstelling aan moet voldoen,
nl. een spoedeisend belang om op het herziene
bestemmingsplan vooruit te lopen. Vanuit het gezichtspunt van
de gemeente Delft ontbreekt een spoedeisend belang omdat het
gemeentebeleid juist belang heeft bij een toetsing van het
bestemmingsplan door toezichthoudende instanties. Het door
de gemeente vastgestelde bestemmingsplan kent tal van
tekortkomingen en een groot gebrek aan ruimtelijke
onderbouwing. De gemeente zal dus kunnen profiteren van de
correcties die bij de toetsing van het bestemmingsplan zijn
te verwachten. Aanvankelijk speelde bij het
gemeentelijke ongeduld een rol dat bewoners van de Van
Leeuwenhoeksingel, die uit hun huis worden verdreven door de
komst van de spoortunnel, aan de Maerten Trompstraat een
nieuwe woning zouden kunnen betrekken. Het risico dat de
toezeggingen aan die bewoners de aanleg van de spoortunnel
zouden kunnen vertragen wilde men koste wat kost vermijden.
Het is deze panische reactie die naar onze smaak heeft
veroorzaakt dat de projectaanpak zo onzorgvuldig - zonder
respectering van kaderstellend beleid - is geweest. Later
bleken deze bewoners overigens niet gecharmeerd van de
gemeentelijke voorstellen en kwam het ontwikkelingsplan in
feite volledig in de lucht te hangen. Vanuit het gezichtspunt van
het ROC-Mondriaan is het aantrekkelijke van het gemeentelijk
arrangement dat publiek geld wordt toegevoegd aan door
(gehoopte) bestemmingswijziging te verwerven opbrengsten.
Deze voordelige kant is inmiddels geheel in zijn tegendeel
verkeerd: het plan voor woningen op het schoolterrein blijkt
het herontwikkelen van het schoolgebouw zo goed als
onmogelijk onmogelijk te maken. Het bestemmen als stedelijk
groen (of het handhaven van de educatieve bestemming met
veel groen) zou de waarde van het schoolgebouw juist fors
doen toenemen. Het is een publiek geheim
dat ROC Mondriaan met de handen in het haar zit. Al in de
jaren '80 was duidelijk dat voortzetting van het onderwijs
op deze lokatie alleen tegen hoge jaarlijkse kosten van
onderhoud mogelijk was (mondelinge mededeling van de
toenmalige directeur). Door de vrijstelling niet te
verlenen wordt o.i. dan ook het belang van ROC Mondriaan
meer gediend dan door de gesubsidieerde verkoop aan de
kavelkopers. Het is aannemelijk dat
vanuit het gezichtspunt van de kavelkopers spoed gewenst is.
Zij waren er in een gesprek (juni 2006) door ons van op de
hoogte gesteld dat de planologische procedures nog zouden
moeten starten en dat wij de verdichting van het TU
Noordgebied uiterst kritisch benaderden. Dat zij zich
daarover destijds verbaasden omdat zij meenden te weten dat
de vrijstelling van het bestemmingsplan reeds was verleend,
duidt erop dat zij door de projectleider niet vlekkeloos
zijn geïnformeerd. Zij zijn verder mogelijk
misleid door de kap van bomen en de sanering, die - o.i.
onrechtmatig - vanaf 15 januari hebben plaatsgevonden en die
bij burgers de mening zouden hebben kunnen voeden dat niets
meer de realisering van hún droomwoning (en tot
schade van het TU Noordgebied) in de weg staat. Zij laten
zich bovendien een de facto subsidie van nagenoeg 70.000
Euro per woning uiteraard niet graag ontglippen. Wij hopen vanzelfsprekend
dat het dagelijks bestuur van de gemeente Delft de rollen
van resp. aanjager van een onjuist plan en die van
onafhankelijk beoordelaar van een vrijstellings aanvraag uit
elkaar zal kunnen houden. Wij roepen u op de afwijzing van
de vrijstellings aanvraag vooral ook van de positieve kant
te bezien, nl. als een startpunt voor een evenwich tiger
stadsontwikkelingsbeleid voor de hele stad. Dat zal alleen
lukken als de rationaliteit en de wetenschappelijke basis
van het beleid in de plaats komen van de ideologische bezwe
ringen die het Delfts stadsontwikkelingsbeleid in de
afgelopen drie jaar zo ontsierd hebben. Vertrouwend u van dienst te
zijn geweest, tekent. Met vriendelijke
groeten, L.C. van Doorn Deze brief is ook na te
lezen op de webstek van de Initiatiefgroep Natuurbeheer in
Delft: http://ind.datadelft.com/bd_vrijstellingmt.htm.
In dit overzicht van
beleidsdocumenten zetten wij de relevante punten op een rij.
. Deze visie op de
ontwikkeling van Delft, tot stand gekomen na brede
raadplegingen tussen 1993 en 1997, is een notitie in
telegramstijl met kaartbeelden over de Delftse
stadsontwikkeling tot 2025. Het verscheen pas eind 1998 in
druk, met daarbij het voornemen om de visie binnen drie jaar
verder uit te werken en te verdiepen. Dat is niet gebeurd;
wel zijn er met het doel middelen uit het
VROM-investeringsprogramma Stedelijke Vernieuwing (ISV) te
verkrijgen, Delftse Ontwikkelingsprogramma's (DOP) uit
voortgekomen. We lichten enkele punten uit deze
ontwikkelingsvisie: p. 08: "Anderzijds zullen
niet Delftenaren al in toenemende mate gebruik maken van
Delftse voorzieningen". [Commentaar: Dit wordt
vanuit een gemeentelijke boekhoudersvisie als een negatief
punt gezien, maar ons ontgaat het wat het onaantrekkelijke
ervan is. Detailhandel en horeca zullen er juist blij mee
zijn, en in het algemeen geldt dat aantrekkelijke steden -
het woord zegt het al - publiek van elders lokken. In het
DOP 2005-2009 wordt dit ook erkend.] p. 08: "De VINEX-afspraken
over een binnenstedelijke bouwstroom heeft Delft al
vervuld". [Commentaar:
!!!] p. 09: (bij de sterke punten
van Delft in de regio): "Groene omgeving". [Wij tekenen bij dit
'sterke' punt aan dat het gebrek aan groene omgeving buiten
de bebouwde kom juist een grote zwakte is van Delft.
Vergeleken met alle steden van Nederland van soortgelijke
omvang is de omgeving van Delft bijzonder onaantrekkelijk,
en in de periode 1998 - 2007 nog dramatisch verslechterd.
Aan de noord- en zuidkant beperken de agglomeraties van Den
Haag en Rotterdam, die bij Pijnacker-Zuid zelfs al tegen
elkaar aan gegroeid zijn, de groene buitenruimte, Naar het
westen overheerst een massief glastuinbouwgebied, een van de
meest toxische gebieden van de wereld, en in het oosten is
er een met glas verrommeld gebied ontstaan met nog slechts
een groen residu van 2000 ha. Deze zeer benauwende
omstandigheden maken ook dat het nog compacter maken van een
stad die in 1998 al beoordeeld werd als compact, tot een
heilloze onderneming.] p. 11 (bij sterke punten van
Delft op zich): "ruimte voor verdichting in de
TU-wijk." [Commentaar: De
kaartbeelden in het visiedocument sluiten de ruimte aan de
Maerten Trompstraat nadrukkelijk uit, het gaat hier om
terreinen van de Technische Universiteit.] p. 14 (wonen in kennisstad):
"Delft moet een aantrekkelijk woonmlieu bieden, zowel in de
directe omtrek van het eigen huis als in de verdere
omgeving." (
) Bij Uitwerking: "Als gevolg van de
Vinex zal het inwonertal de komende jaren dalen van 94.500
naar 89.000 rond 2003" (
) Bij Acties:
"Herstructurering van wijken in samenwerking met
corporaties; omzetting van minder gewilde gestapelde
(huur)woonvormen naar meer marktconforme woonvormen,
stadsvernieuwingsprojecten, differentiatie en upgrading
woningaanbod, verdunning huidige dichtheid en renovatie
openbare ruimte: 1. Wippolder 2. Kuiperwijk 3. Popahof, 4.
Gillis 5. Delfgauwse Wije. [Commentaar: Zo aan de
tekst op p. 14 van de Ontwikkelingsvisie 2025 al conclusies
over het bouwen aan de Maerten Trompstraat te ontlenen zijn,
dan toch vooral negatieve. Met de bevolkingsprognose sloeg
men overigens de plank daverend mis. De Delftse bevolking
bleef tot 2000 groeien tot 97.000, en daalde in 2003 tot
96.000 (dus nog altijd flink meer dan in 1997) en tot 95.000
in 2006.] In § 3.2 over de sterke
en zwakke punten: "Tenslotte kent Delft in het algemeen
weinig ruim opgezette groenstedelijke wijken en woningen."
En: "Delft kent hier en daar enkele tekortkomingen met
betrekking tot de omgevingskwaliteit." In § 3.3 over de kansen
en bedreigingen wordt als fysieke kans aangedragen: "De stad
Delft is compact". En bij de bedreigingen wordt vastgesteld:
"Verder kan ook een te grote verdichting van bepaalde delen
van de stad een bedreiging vormen voor de leefbaarheid in
het algemeen." Kennelijk is het het gemeentebestuur ontgaan
dat deze bedreiging een verband heeft met een zg.
kennis-economische bedreiging die in dezelfde § wordt
genoemd, nl. de beperkte huisvestingsmogelijkheden van hoger
personeel. In het hoofdstuk Delft in
2015, een schets van de resultaten die men met dit beleid
zegt te willen behalen, wordt de niet onevenwichtige
benadering van het ontwikkelingsprogramma doorgetrokken.
"Daarnaast is verdichting en intensief ruimtegebruik
gerealiseerd en heeft waar mogelijk verdunning
plaatsgevonden, bijvoorbeeld bij herstructurering om groen
en water in de wijk te brengen." En in het hoofdstuk met de
programmatische uitwerking (§ over differentiatie
woonmilieus, wordt "voldoende aanbod van woningen in een
groen tuinstedelijk milieu" wordt bepleit. Het noordelijk
TU-gebied tenslotte wordt in § 5.7 geprezen "gezien de
kwaliteiten van het gebied - monumentale gebouwing in een
parkachtige setting", een waardering die door het
bestemmingsplan TU-noord op geen enkele wijze wordt
beschermd en ondersteund. Het eerste DOP is iets
anders van toon dan het tweede, omdat het gebrek aan ruimte
- ruimte voor nieuwe bouwlokaties wordt hier onveranderlijk
mee bedoeld - goed is voor een flinke klaagzang. Delft wordt
daardoor afhankelijk van omliggende gemeenten (stel je
voor!) en er dreigt een drastische bevolkingsafname en
navenante vermindering van draagvlak voor voorzieningen.
Toch wordt er - terecht - bij het perspectief voor 2010 op
gerekend dat het compacte Delft zich "op een goede manier
verankerd heeft in het (boven)regionale netwerk, in het
bijzonder de VINEX-locaties, die vooral qua voorzieningen en
in iets mindere mate qua werkgelegenheid ook
geöriënteerd zijn op Delft." Door de minimale
aandacht voor ecologie en omgevingskwaliteit in deze versie
sluit deze DOP nauwelijks aan op de Ontwikkelingsvisie Delft
2025. Bij het gebiedsgerichte programma is er ruim een
pagina gewijd aan het TU-gebied, maar ook hier uitsluitend
doelend op het (voormalig) terrein van de universiteit (TU
Noord, TU Midden en Technopolis). Ondanks dat er in de jaren
2000-2009 een 130 miljoen Euro voor Delft wordt uitgetrokken
en Ontwikkelingsvisie en Ontwikkelingsprogramma's bij het
verwerven daarvan een centrale rol spelen, leiden al deze
ruimtelijke beleidsnota's een verborgen bestaan. Ze worden
niet gebruikt bij de onderbouwing van ontwikkelingsplannen,
bestemmingsplannen, gebiedsvisies en andere ruimtelijke
plannen van de gemeente Delft. Door deze centrale
beleidskaders niet als vertrekpunt te nemen, heeft het
Delftse ruimtelijk beleid een volstrekt opportunistisch
karakter gekregen en geeft het gemeentebestuur de Delftse
burgers de indruk met verborgen agenda's te werken.
[samenvatting in diverse
bestemmingsplantoelichtingen] "Het ecologieplan Delft
richt zich op het realiseren van een duurzame blauwgroene
structuur in de gemeente Delft. Het schetst de ecologische
structuur, die als breder kader dient voor toekomstig beleid
en projecten. De hoofddoelstellingen in
het Ecologieplan zijn - het realiseren en
uitbouwen van een kwalitatief hoogwaardige ecologische
structuur; - het handhaven van een
evenwichtige verhouding tussen natuur en bebouwing, rekening
houdend met bereikbaarheid en natuurlijke kwaliteit van
gebieden. Deze hoofddoelstellingen
zijn vanuit een integrale visie op een natuurlijke en
leefbare stad in het Ecologieplan nader uitgewerkt. Het plan
dient tevens als instrument om korte en middellange termijn
ambities te realiseren. In het plan wordt ingegaan op kansen
zoals o.a. het verbeteren van de sociale omgeving, van de
fysieke omgeving en van de economische omgeving. Tevens
wordt ingegaan op uitdagingen als het verminderen van de
stedelijke druk, het opheffen van barrières, het
verbeteren van dimensies van bermen, oevers en watergangen,
en het verbeteren van de water- en ecologische
kwaliteit." [Commentaar] Helaas
is dit ecologieplan tot dusver door de gemeentelijke
organisatie slechts geïnterpreteerd als een vrijbrief
voor natuurafbraak. De bomenkap aan de Maerten Trompstraat
is in de verleende kapvergunning verdedigd met het argument
dat de bomen (en struwelen niet te vergeten) niet behoorden
tot de ecologische hoofdstructuur. (Wij hebben overigens
tegen deze verleende kapvergunning geen beroep aangetekend
omdat wij ervan overtuigd zijn dat het bouwplan geen hout
snijdt.) Het groen ín de ecologische hoofdstructuur
is al evenmin veilig, zoals nu is te zien aan het
Zuidplantsoen en zoals ook is op te maken uit de teksten van
de Gebiedsvisie Voorhof Zuid-West. De werkelijke bedoeling
van het ecologieplan kan men in het partijkrantje van de
bewuste wethouder (feb. 2006) lezen: "de nota over de
Ecologische hoofdstructuur (wordt) bepaald welk groen
belangrijk is voor de ecologie in de stad en welk groen
niet. Indirect bepaalt dit dus op welke open plekken nog
bouwmogelijkheden zijn." De notie van een evenwichtige
verhouding tussen natuur en bebouwing leefde dus niet erg
bij het toenmalige gemeentebestuur, en dat is intussen niet
veranderd. Aan het ecologieplan wordt in tegenstelling tot
Ontwikkelingsvisie en DOP's wordt overigens wel in
ruimtelijke plannen gerefereerd, maar dan steeds op een
manier die aan het ecologieplan zelf vreemd is. Even vreemd
als het bouwen van winterverblijven voor vleermuizen waar de
fourageergebieden (bomen, struelen) in hoog tempo worden
gesloopt. Onder 9 Omgevingskwaliteit:
"Het rijk verwacht van de gemeenten speciale maatregelen om
te komen tot meer en betere groenvoorzieningen in de
dagelijkse leefomgeving en in de stad als geheel. Voor
grotere groenprojecten in de stad maakt het rijk aparte
afspraken met de betrokken gemeenten. In de
ontwikkelingsprogramma's geven de gemeenten aan hoe deze
projecten samenhangen met het groen buiten de stad en hoe ze
worden beheerd en ingericht. Ook gaan de gemeenten in op de
ecologische waarde van de groenprojecten en de mogelijkheden
voor recreatie." En onder 11 Zorgvuldig
ruimtegebruik: "De gemeente geeft in het
ontwikkelingsprogramma aan welke (woon)gebieden kunnen
worden verdund en welke verdicht. Verdichting is vooral
gewenst rond stedelijke vervoersknooppunten." VROM neemt het stedelijk
groen in het kader van de stedelijke vernieuwing zeer
serieus. De tekst van het beleidskader ISV (1999) wees daar
al op, maar bijvoorbeeld ook met de nieuwe brochure "Met
groen meer stad, nieuwe impulsen voor stedelijk groen" en
een aanstaand initiatief van de ministeries van LNV en VROM
samen (juni 2007) moet de pogingen van het Rijk ondersteunen
om de onbedoelde ontwikkelingen bij gemeenten te
corrigeren.
Bestrijding
bouwplannen Maerten Trompstraat
Stichting
Commissie Natuur en Milieu
Delft,
27 september 2007
Delft,
6 mei 2007
Aan:
Het college van
Burgemeester en Wethouder
1. Voor de aangevraagde
vrijstelling is geen ruimtelijke onderbouwing voorhanden.
Verlening van de vrijstelling kan o.i dus niet aan de orde
zijn.
2. Het verlenen van de
planologische vrijstelling zal een degradatie van de
zeeheldenbuurt en van het hele TU Noordgebied tot gevolg
hebben

3. Er is geen spoedeisend
belang gediend met het vooruitlopen op het geldig worden van
het bestemmingsplan TU Noord.
4. Slot
Bijlage
1 (bij
de brief van 6 mei 2007)
Ontwikkelingsvisie Delft
2025
Delfts
Ontwikkelingsprogramma 2010-2015 (voor ISV-2,
2005-2009):
Delfts
Ontwikkelingsprogramma 2000-2004
Ecologieplan
2004-2015
Beleidskader ISV
(Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing
(VROM))