Streefwaarden voor de Delftse natuurmonitor |
naar beginpagina van de Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft |
De Delftse natuurmonitor is onderdeel van een zo beknopt mogelijke, maar toch nog uitgebreide gegevensverzameling, die de burger inzicht moet bieden in de inspanningen die instanties verrichten om de milieubelasting te verminderen, de feitelijke effecten van die inspanningen op de mate van milieubelasting en op de milieukwaliteit zelf. De natuur (zowel diversiteit als mate van voorkomen van organismen) is een belangrijke kwaliteitsmeter, omdat organismen zich langere tijd in een bepaalde omgeving ophouden en fysische en/of chemische grootheden veel sterker in de tijd (kunnen) variëren. M.a.w., een natuurmonitor zegt iets over de kwaliteit over een langere periode en is daardoor intrinsiek betrouwbaarder dan alleen fysische en chemische gegevens over de omgevingskwaliteit.
De Delftse natuurmonitor beperkt zich tot natuurgegevens die praktisch niet te lastig te verzamelen zijn en die toch een beeld geven van de natuurkwaliteit. Een andere grote beperking is dat de gegevens in slechts twee kilometerhokken verzameld worden, maar ook die beperking is nodig om te voorkomen dat het project strandt op een te omvangrijke gegevensverzameling. De gegevens die verzameld worden zijn:
De door de stichting Floron uit de inheemse flora geselecteerde "AA-planten" (Attractieve Aandachtsplanten) beslaan 105 soorten. Deze soorten bevatten een doorsnede van de in het wild in Nederland voorkomende vaatplanten, maar hebben bovendien als eigenschap dat ze betrekkelijk gemakkelijk te herkennen zijn. Door nu de aanwezigheid van deze AA-planten in een bepaald gebied te onderzoeken, krijgt men dus niet alleen een beeld van de kwaliteit van de wilde flora in die omgeving, maar kan dit onderzoek ook worden verricht door niet-professionals. Dit maakt het mogelijk om burgers bij de gegevensverzameling te betrekken.
Inzicht van de in Delft voorkomende wilde flora en de verscheidenheid aan (stedelijke) biotopen voert tot de conclusie dat van de 105 soorten AA-planten een veertigtal in geheel Delft te verwachten zijn. In een afzonderlijk gebied van 1 km2 is vervolgens een aantal van 25 tot 30 soorten AA-planten als een (zeer) goede score aan te merken. Deze maat steunt o.a. op een overzicht dat door J. Vos (stadsecoloog van Zoetermeer) en prof. Taeke de Jong (TUDelft, stedenbouw) is gemaakt van het voorkomen van AA-planten in Zoetermeer:
Hoewel aan de randen van Zoetermeer op dit overzicht zulke lage scores voorkomen dat ze niet geloofwaardig zijn (een km-hok met minder dan 5 AA-planten is wel erg onwaarschijnlijk) maar eerder iets met de "kraam" van Taeke de Jong te maken hebben (De Jong beweert immers dat meer stedenbouw goed is voor de biodiversiteit), geven de cijfers voor het stedelijk gebied een redelijke indruk van de mogelijke botanische diversiteit.
Een redelijke beoordelingsschaal ziet er op grond van deze overwegingen als volgt uit:
Deze schaal kan worden gebruikt als refrentie. De cijfers over de aangetroffen botansche rijkdom over een reeks van jaren geven op zichzelf ook weer vergelijkingsmateriaal. Als van het eerste naar het vierde jaar bijvoorbeeld het aantal AA-planten toeneemt van 8 naar15 is sprake van een gunstige ontwikkeling, maar ten opzichte van de referentieschaal is dan nog altijd een lange weg te gaan. De mate van voorkomen van een AA-soort (een aspect dat niet in de schaal is verwerkt) kan het beeld overigens wel nuanceren.
Voor het bepalen van de kwaliteit van de stedelijke natuur (m.n. de structuurvariatie in het groen en mate van verstoring) vormen verder gegevens over broedvogels een betrouwbare indicator. Het is bovendien een erg práktisch onderdeel van de natuurmonitor, omdat de Vogelwacht Delft e.o. jaarlijks de broedvogelsoorten en -aantallen voor een groot aantal Delftse groengebieden toch al in kaart brengt. Als referentie (goed, redelijk of slecht) kan onderstaande curve dienst doen, ook al is hier evenmin het gegeven van het aantal broedgevallen er niet in verwerkt, maar alleen het aantal broedende soorten.

Om de natuurmonitor wat meer diepgang te geven is het beoordelen van de natuurkwaliteit aan de hand van de ongewervelden wenselijk. Om van de zijde van burgers voldoende belangstelling te kunnen krijgen en de kennis van dit deel van onze ecosystemen uiterst dun gezaaid is, zit er niet anders op dan de groep van de meest "aaibare" en herkenbare insecten te nemen: de dagvlinders. Het voorkomen van dagvlinders zegt iets over de kwaliteit van het groen, de groene verbindingen en het (al of niet insectenvriendelijk) beheer van grazige vergetaties en struweelranden.
Een kanttekening die hierbij gemaakt moet worden is dat deze beoordeling onverkort geldt voor plaatselijk overwinterende vlinders, maar dat voor trekvlinders zoals Atalanta en Distelvlinder een teruggang of toename van de populatie ook te maken kan hebben met veranderingen in andere gebieden. M.a.w., in de rapportages moet men hiermee rekening houden. Een vergelijking met de gegevens van andere gebieden (via de Vlinderstichting bijvoorbeeld) kan helpen verzamelde gegevens behoorlijk te interpreteren.
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de algemeenste dagvlinders en het soort gebied waar ze aan te treffen zijn.
|
|
|
|
|
|
||
|
antropogene omgeving |
Groot koolwitje |
|
|
|
|
|
|
Klein koolwitje |
|
|
|
|
|
|
|
Dagpauwoog |
|
|
|
|
|
|
|
Kleine vos |
|
|
|
|
|
|
|
Atalanta |
|
|
|
|
|
|
|
Distelvlinder |
|
|
|
|
|
|
|
graslanden |
Klein geaderd witje |
|
|
|
|
|
|
Kleine vuurvlinder |
|
|
|
|||
|
Icarusblauwtje |
|
|
|
|||
|
Argusvlinder |
|
|
|
|||
|
Koevinkje |
|
|
||||
|
Hooibeestje |
|
|
|
|||
|
Bruin zandoogje |
|
|
|
|
||
|
Oranje zandoogje |
|
|
|
|
||
|
Oranjetipje |
|
|
||||
|
Landkaartje |
|
|
|
|
||
|
ruigten |
Groot dikkopje |
|
|
|||
|
Zwartspriet-dikkopje |
|
|
||||
|
Geelspriet-dikkopje |
|
|
||||
|
struwelen |
Citroenvlinder |
|
|
|
|
|
|
Gehakkelde aurelia |
|
|
|
|||
|
Boomblauwtje |
|
|
|
|||
|
bossen |
Bont zandoogje |
|
||||
|
Eikepage |
|
|