Discussiebijdrage
Delftse Post 19-02-07 homepage
Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft
Stedelijk groen wordt doorgaans geassocieerd met min of meer intensief onderhoud. De stedelingen kunnen zich nauwelijks voorstellen dat tuinen, plantsoenen, bosschages of oevers zich een jaar, laat staan decennia lang zonder ingrijpen kunnen ontwikkelen. Sterker nog, stedelijke groenvoorzieningen zijn er dikwijls op ontwórpen dat zij moeten worden onderhouden. Gebeurt dat onderhoud niet, dan spreekt de burger van verwaarlozing, en de hovenier van verwildering, achterstallig onderhoud of zelfs van "slijtage" van het groen. "We" hebben er zelfs een gewoonte van gemaakt om onderhoud als onmisbaar te zien voor natuurgebieden, waar biodiversiteit veelal alleen kan worden gehandhaafd door via "extensief beheer" de natuurlijke successie terug te zetten, bijvoorbeeld om de eutrofiërende stoffen af te voeren.
Dat het achterwege laten van maaien, snoeien, kappen, plaggen etc. (activiteiten die in ander stedelijk groen worden uitgevoerd dat het een aard heeft) tot interessante resultaten kan leiden, laat de Delftse Wallertuin zien. In deze stedelijke overhoek van ca 2 hectare is elke vorm van onderhoud nu al tientallen jaren achterwege gebleven. Daar is de autonome, ongestoorde ontwikkeling van flora en fauna regel, en dat betekent o.a. dat afstervende kruiden en beschadigde en zelfs omgevallen bomen niet worden "gecorrigeerd". Dat schept omstandigheden waarvan de fauna profiteert. De levenscyclus van wilde organismen wordt er niet verstoord door de neiging om alles netjes te houden en zg. slordigheden op te ruimen. Door die natuurlijkheid vormt het terrein een krachtige kanttekening, een contrapunt zelfs, bij de (stedelijke) cultuur.
Over de bijzondere
kwaliteiten en de natuurwaarden van de Wallertuin zijn zowel
bij de GB-plannen van 1970 als bij een heroplevende
bestuurlijke belangstelling voor het gebied rond 1990
rapporten opgesteld (Deelstra (1988), bureau Nieuwland
i.o.v. de gemeente Delft (1992)). Toch was de
start van de Wallertuin allerminst "natuur", maar een grote,
zeer gecultiveerde tuin, aanvankelijk niet alleen van de
familie Waller, maar ook van twee tuinen van verschillende
families Tutein Nolthenius. De tuin kon worden ingericht op
een terrein dat ontstond nadat in 1893 het Rijn-Schiekanaal
was gegraven. Het nieuwe tracé schiep a.h.w. een
stedelijke 'overhoek' dat door het nieuwe tracé van
dit kanaal bij de binnenstad werd gevoegd. Dit
overhoek-karakter bepaalt mede de stedenbouwkundige
betekenis van het gebied dat het ook al door de unieke
natuurlijkheid tot zo'n bijzondere plek in de stad maakt.
Wie over de Reineveldbrug de noordelijke binnenstad benadert
wordt bovendien getroffen door de allure die Wallertuin,
Kalverbos en het silhouet van de oude stad aan deze entree
geven. De aanleg
van de tuin is vermoedelijk in 1911 begonnen, met o.a. een
rotstuin en enkele tuinhuizen waarvan nu nog restanten te
vinden zijn. Een klein,
westelijk gedeelte van de tuin werd doorsneden door de oprit
van de (overigens fraaie) Reineveldbrug, die in 1930 werd
gebouwd. In 1970 werd deze oprit verbreed, waardoor nog eens
een strook van 10 m breed in beslag werd genomen. In die
periode was er ook beroering vanwege bouwplannen van
Gist-Brocades in het gebied.
Korte
geschiedenis en stedenbouwkundige betekenis
De natuurwaarden van de Wallertuin zijn wat betreft vegetatie en broedvogelstand decennialang gevolgd en vastgelegd. Door eutrofiëring via atmosferische depositie en rioollek treedt in de vegetatie verruiging op. Opslag van esdoorn en woekering van bramen en Perzische bereklauw zijn daarvan een teken. In de poel heeft dit de vorm aangenomen van het verdringen van oever- en waterplanten door de overheersing door groen- en blauwwieren.
Door hun groei- en overlevingsstrategie (knolvorming, voorjaarsbloei) is de opvallende stinsenflora weinig gevoelig voor deze ongunstige ontwikkelingen. Een 13-tal soorten, die we tot deze groep rekenen, houdt in de tuin stand, met als opvallendste soorten de Gevlekte aronskelk (enkele individuen), Klein sneeuwklokje (duizenden exx.) en Voorjaarshelmbloem. (De meeste stinsenplanten behoren tot de families van de lelies en van de narcissen, maar de helmbloemen behoren tot de papaverfamilie).
Het bomenbestand is van oorsprong cultuurlijk-exotisch, met bijvoorbeeld paardekastanjes, okkernoten, goudenregens, maar de lindes, zomereiken, beuken, meidoorns, schietwilgen en esdoorns zijn inheems.
Op dit substraat heeft zich een opvallende broedvogelbevolking gevestigd. Karakteristiek zijn de holenbroeders, waarvan soorten als Grote bonte specht, Grauwe vliegenvanger en Boomkruiper kenmerkend zijn voor oud, opgaand loofbos. En nu - in 2001 - heeft ook de familie Sperwer er zich gevestigd.
Met de gebruikelijke opsomming van planten en vogels is een gebied
echter geenszins ecologisch gekarakteriseerd. Door de ongestoordheid
krijgen schimmels (met paddestoelen als bloeiwijze), mossen en
korstmossen (lichenen), en wat de fauna betreft, allerlei
ongewervelden een kans. Deze basis van de natuurontwikkeling wordt in
inventarisaties altijd onderbelicht omdat het betrouwbaar monitoren
van deze lagen van het ecosysteem veel meer inspanning vergt, maar is
in het geval van de Wallertuin, in al zijn onopvallendheid, van het
grootste gewicht.
Boomkruiper
Grote
bonte specht
Pimpelmees
Winterkoning
Vogelkers
Beekpunge
Dagkoekoeksbloem
Gevlekte
aronskelk
De ecologische verbindingen met delen van de Delftse Hout waar opgaand wat ouder bos bestaat, zijn redelijk. M.n. die zangvogels die al te grote open ruimten zonder bomen of struweel niet oversteken (dit geldt niet voor de trektijd), kunnen via de tussenliggende groenstroken langs Tweemolentjesvaart en van de fruittuinen hun leefgebied uitbreiden. Beide gebieden hebben wat soorten van oudere bomen gemeen, zoals Grote bonte specht en Boomkruiper.
Via de oeverzones, fruittuinen en ruigten kunnen ook vliegende insecten vanuit de Delftse Hout de Wallertuin bereiken (en omgekeerd uiteraard). De waterverbinding kent in de vorm van het sluisje in de Tweemolentjesvaart een belangrijke barrière, maar die is in het verband met de Wallertuin niet al te relevant omdat de Wallertuin geen belangrijke, goed functionerende waterbiotoop kent. De maatregelen (zie hieronder) bij de poel moeten wel verbetering in deze situatie brengen, maar die natuurontwikkeling in een poel heeft toch een heel ander karakter (stilstaand water, aanvulling alleen door grondwater en regenwater) dan de flora en fauna van het stelsel Rijn-Schiekanaal/Tweemolentjesvaart. Niettemin behoort uitwisseling van vliegende insecten ook die met een binding aan water, tot de mogelijkheden (libellen en kevers bijvoorbeeld).
Hoewel de Wallertuin dus
geen natuurlijke tuin is, laat de tuin wel zien wat "de
natuur doet met" een zeer cultuurlijke tuin waar niet meer
ingegrepen wordt. Tegelijkertijd is opvallend dat vele
stadgenoten dit bijzondere karakter van de Wallertuin
onderkennen en het beschermen van deze samenhang
ondersteunen. Dat bleek ook nog eens bij de discussies in de
gemeenteraad over het bestemmingsplan van de binnenstad (mei
2000). De betrokkenheid van veel burgers blijkt uit spontane
blijken van bezorgdheid wat er met het gebied aan de hand
is. Men verwijst dan naar de onduidelijkheden in de
gemeentelijke discussies, en het plotselinge verschijnen van
veel water nabij de oprit van de Reineveldbrug (naar later
bleek als gevolg van de tijdelijke stopzetting van de
onderbemaling). De overgang naar een andere
particuliere eigenaar was een extra reden voor vraagtekens
bij de burgers over de toekomst van de
Wallertuin. Het zijn bovenstaande
redenen die ons hebben aangezet een voorstel te doen voor
enkele spaarzame, welgeplaatste inrichtings- en
beheersmaatregelen, die evenwel het ongerepte karakter van
de Wallertuin als geheel niet aantasten.
De kwaliteit van de natuur
en daarmee ook van de natuurbeleving door de stedelingen
wordt vooral bepaald door de grote variatie aan biotopen in
een klein gebied. Er komen bijvoorbeeld drie totaal
verschillende bostypen voor, een poel, een sloot, en een
bramenstruweel. Op enkele delen van de tuin
gaan we hieronder nader in, om problemen te identificeren en
oplossingen aan te reiken. A.
Poel in de noordwesthoek C.
Kastanjebos De poel is in de
noordwesthoek is thans een soortenarme, zuurstofloze poel,
die voor mens, plant en dier weinig te bieden heeft. De
bodem van de poel is bedekt met een decimeters-dikke laag
detritus (vergaan en half-vergaan bladval). Om weer enige variatie in
flora en fauna in en rond de poel tot stand te brengen is
het nodig de gevolgen van deze - op zichzelf natuurlijke -
ontwikkeling terug te zetten. Hiertoe moet de poel gebaggerd
worden (tot een winterdiepte van 1,5 meter) en moet aan de
zuidkant van de poel wat gesnoeid en gekapt worden, zodanig
dat de lichtval in de poel ca. 2/3 van de hemelkoepel
beslaat. Pas in die omstandigheden krijgen amfibieën en
oever- en waterplanten weer een kans. Is eenmaal de
oevervegetatie weer tot ontwikkeling gekomen, dan is er een
natuurlijke barrière tegen het opnieuw inwaaien van
bladval in de poel; onderhoud van de poel kan zich dan
beperken tot eens per 8 tot 10 jaar baggeren en het
openhouden van de zuidwest kant. B. Het
vochtig bos nabij de oprit naar de
Reineveldbrug Het bos in de zuidwesthoek,
aan de kant van de voormalige burgemeesterswoning, is van
een Elzen-vogelkers type: vochtig bos. Als de
waterhuishouding blijft wat het in de winter van 2000-2001
was, dan zal dit veranderen in een moerasbos, want de
waterstand bevond zich er gedurig boven het maaiveld, ca. 70
cm boven het onderhoudspeil. D.
Problemen met het vuilwaterriool De bezoeker van de
Wallertuin wordt op plek D onaangenaam getroffen door stank
van onverteerde faecaliën. Het is onloochenbaar dat
hier iets met het vuilwaterriool aan de hand is. Dit is op
zichzelf al reden het rioollek te verhelpen, maar ook de
ongewenste eutrofiëring van de Wallertuin is reden het
lek met spoed op te sporen en te dichten. Wellicht moet de
gehele rioolloop in dit gebied worden herzien. E. Open
plek met bramenstruweel Een interessant bos heeft
een open plek. Het historisch onderzoek naar de
natuurontwikkeling door de millenia heen heeft zelfs (Vera
e.a.) opgeleverd dat het natuurlijke landschap van de lage
landen halfopen is geweest, en zeker niet massief,
aaneengesloten bos. De dynamiek in bossen in wisselwerking
met wilde runderen zorgde daarvoor. Zo'n open plek was er ook
altijd in de Wallertuin, maar in de late 90-jaren is die
enige open plek met die boeiende struweelrand van bramen
geheel overwoekerd geraakt. Wij stellen voor een open plek
van ca 300 m2 door terugsnoeien van de bramen te
herstellen. F.
Slootkant aan de noordkant De Wallertuin heeft iets van
een 'groen fort'. Wie over het pad langs het
Rijn-Schiekanaal fietst, ziet de bosrand van de tuin aan de
kanaalkant, maar krijgt geen verlokkende blik op wat zich
erachter bevindt. Bij F, waar de sloot uitmondt in de
ringsloot, zou een verbreding kunnen worden gemaakt,
waardoor niet alleen deze 'opening' tot stand komt, maar
vanuit de Wallertuin een visuele verbinding ontstaat met wat
daarbuiten is. Het verdient verder
aanbeveling om de ringsloot te baggeren, want ook daar is
het water zuurstofloos door een dikke laag slechts
gedeeltelijk verteerd bladval. Omdat het onvermijdelijk is
dat veel afstervend blad elk najaar in de sloot terechtkomt,
is dit wel enigszins dweilen met de kraan open. Samenvatting
van de herstel- en onderhoudsmaatregelen herstelmaatregelen onderhoud A. poel - baggeren - baggeren eens in
de 10 jaar B Vochtig
bos - dunnen - eens in de 5
jaar dunnen herhalen C.
Kastanjebos - geen D.
vuilwaterriool - lek dichten
(inmiddels opgelost; 2002) E.
Bramenstruweel - 300 m2 bramen
verwijderen - jaarlijks licht
onderhoud om het woekeren van de bramen tegen te gaan F.
Ringsloot - scheppen van
verbreding op de plaats waar het slootje in de ringsloot
uitkomt - jaarlijks de
helft van de oever- en waterplanten maaien
Het kastanjebos is weer een heel ander bostype dan bij B. is
beschreven: een gesloten kroon van bomen zonder ondergroei.
Dit romantische beeld heeft veel verwantschap met het
klassieke beukenbos, en in deze sfeervolle omgeving is
menselijk ingrijpen nog steeds volkomen
overbodig.
Er is wat voor te zeggen de verstopte drainage, die er
decennialang de waterhuishouding en dus het vegetatietype
heeft bepaald, als een gegeven te aanvaarden en de
ontwikkeling naar een of ander type nat bos zich te laten
voltrekken. Ons voorstel is niettemin de ontwatering weer te
herstellen, evenwel niet door herstel van de al te
kunstmatige drainage maar door een simpele ondiepe greppel
van de vijver naar de afgrenzende sloot aan de noordkant en
zo het bestaande bostype in stand te houden en het peil in
de poel te beheersen. Omdat in het vochtige bos bovendien
enige stakenvorming optreedt (armetierige, verticale
ontwikkeling van de bomen), is onregelmatige kap van
bijvoorbeeld de essen functioneel om de ontwikkeling van dit
gedeelte enigszins bij te sturen in de richting van
gevarieerd bos.
-kapwerk aan zuidwestkant
- jaarlijks de helft van de oever- en waterplanten
maaien
- graven van ondiepe ontwateringsgreppel naar
ringsloot
- jaarlijks greppel openhouden
- open plek 2x per jaar maaien
- baggeren ringsloot
- baggeren eens per 5 jaar herhalen