andere
commentaren
| inspraakreactie
Waterbeheersplan 1999-2003 commentaar
op Waterbeheersplan 2006-2009 Initiatiefgroep Natuurbeheer
in Delft Delft, 9 mei
2005 Betreft: commentaar
Waterbeheersplan 2006-2009 Geachte college, De presentatie van het
nieuwe beleidsplan verdient veel lof. De elektronische
versie biedt zoveel "lagen" dat met het beleidsplan een ware
encyclopedie van informatie wordt blootgelegd; niet alleen
het beleidsplan zelf, maar ook allerlei onderliggende
documenten kwamen op deze manier beschikbaar. Dat maakt - ook dit voordeel
heeft een nadeel - dat het leveren van commentaar op deze
zee van informatie en inzichten een hele opgave
is. Om praktische redenen
spitsen we ons commentaar slechts op enkele zaken toe.
Bovendien hebben wij in de voorafgaande fasen
(bouwstenennota en het concept van het beleidsplan) al op
tal van aspecten van Delflands' beleid commentaar gegeven
dat niet allemaal herhaald hoeft te worden. Met het motto "Realiseren en
intensiveren" van het beleidsplan valt wat ons betreft te
leven. Op beleidsterreinen die ons na aan het hart liggen is
er bij overheden van een gebrek aan stootkracht sprake
geweest. Dat geldt ook voor Delfland, waarbij we niet kunnen
nalaten eraan te herinneren dat het Waterbeheersplan
1999-2003 ook al een dergelijke leidraad had (1 betere
uitvoering van het bestaande beleid 2 meer aandacht voor
ecologie en natuur 3 meer samenwerking met andere partijen).
Er is pas behoefte aan nieuwe plannen als de
uitvoeringspraktijk van eerdere plannen bijstelling of
vernieuwing uitlokt. Juist door - bijvoorbeeld - op punten
als ecologische verantwoorde inrichting en beheer en
flexibel peil ervaring op te doen, kunnen nieuwe inzichten
worden opgedaan die tot verfijning van beleid en
uitvoeringspraktijk leiden. Het peilbeheer van de
Nederlandse waterschappen en zeker ook van Delfland, is aan
vernieuwing en toepassing van wetenschappelijke inzichten
toe. Het is wonderlijk hoe in een viertal decennia de
praktijk van het starre peilbeheer - in kringen van ecologen
bekend als het euvel van de "peilverstarring", mogelijk
gemaakt door goedkopere en sterkere bemalingsmogelijkheden -
tot norm lijkt te zijn verheven. Voordien was star
peilbeheer allerminst gebruikelijk, alleen al omdat de
technische mogelijkheden voor het starre peilbeheer
ontbraken. Het is dan ook niet zonder
humor dat in het nieuwe beleidsplan het flexibele peilbeheer
weer zijn intrede doet. De belangrijkste reden voor deze
beleidskeuze is dat het voor het waterkwantiteitsbeheer
noodzakelijk is het peilbeheer te flexibiliseren. Bij
grotere extremen in neerslag en verdamping die van een snel
veranderend klimaat zijn te verwachten, is het rigide
peilregime immers niet vol te houden. Het verheugende is dat het
waterkwantiteitsbeheer onder bepaalde vpowaarden goed kan
sporen met vernieuwend waterkwaliteitsbeheer. Tal van
studies in de 90-er jaren toonden immers aan dat de
peilverstarring (ten onrechte wel als gunstig beschouwd voor
de agrarische bedrijfsvoering en voor het beheer van het
stedelijk gebied) grote en nadelige gevolgen had voor de
oever- en slootnatuur, op "zelfreinigende" processen in het
oppervlaktewater en op de erosie van oevers. Deze inzichten zijn in het
waterbeheersplan 2006-2009 zeker terug te vinden, maar als
het er op aankomt dan toch op te gedempte wijze. Zo valt
bijvoorbeeld in de Waterkansenkaart uit 2004 (op p. 30) te
lezen dat "landbouwgebieden minder geschikt zijn voor
flexibel peilbeheer". Het is een feit dat agrariërs
argwaan hebben tegen variabele slootpeil, maar het is
gemakkelijk aan te tonen dat het slootpeil in de veen- en
kleibodems van onze regio niet of nauwelijks van invloed is
op de grondwaterpeilen en dat dus de gevoelens van de
agrariërs in dezen gerekend kunnen worden tot het
nakakelen van vooroordelen van hun woordvoerders.
"Grondwaterpeilen in polders zijn met uitzondering van
drainage nauwelijks te beïnvloeden.", staat in de tekst
van het waterbeheersplan op een geheel andere plaals (nl.
over het grondwaterbeleid), en dus ontwaren we hier een
tegenstrijdigheid in het plan. Eenzelfde terughoudendheid
treffen we aan bij het verzet van de glastuinbouwbelangen
tegen natuurrijke inrichting en beheer van watergangen in
glasgebieden. In Delflands' Peil lazen we ooit dat aanleg
van natuurvriendelijke oevers in glasgebieden tot extra
plaagdruk in de glasteelten zou leiden en dat er daarom van
moet worden afgezien, maar ook dit zijn spookverhalen die op
ongefundeerd verhinderen dat de milieudruk in glasgebieden
met BEHULP van natuurmaatregelen wordt gereduceerd, in
plaats van dat zij als een bedreiging worden gezien. Wij
verwachten van de waterbeheerder dat die zich niet zó
onthustend simpel om de tuin (!) laat leiden. In het licht
van de nu stagnerende verbetering van de waterkwaliteit in
glasgebieden is voor deze meegaandheid weinig
reden. Wij vinden het jammer dat er
- 10 jaar na de introductie van ecologisch beheer in de
boezemwatergangen - bij Delfland nog steeds geen Groene Keur
is. Zo'n keur zou gunstige effecten moeten hebben op de
waterkwaliteit, maar ook op het vasthouden van oevers, op
het beperken van baggervorming en op landschappelijke
kwaliteit. In de presentatie die op 19
april over het waterbeheersplan werd gegeven, pleitte uw
medewerker ecologie voor een optimistische kijk op de natuur
in het zo verstedelijkte Delflandse gebied, vooral naar
aanleiding van de perspectieven die de gedragscode Flora- en
faunawet zal bieden. Inderdaad zijn in deze regio nog tal
van boeiende en waardevolle levensgemeenschappen aan te
treffen. Het optimisme is gerechtvaardigd voor zover in een
gezamenlijke inspanning van stadsgewest, gemeenten,
waterschap, natuurbeherende organisaties en burgers de
mogelijkheden voor natuurontwikkeling en - breder -
ecologisch verantwoorde activiteiten ten volle benut worden.
Ontwerpers en beheerders laten hier o.i. nog vele steken
vallen; zo is er weliswaar een verheugende toename van het
areaal aan natuurvriendelijke oevers vast te stellen, maar
het beheer van die oevers is vaak nog helemaal niet op de
(veranderde) functies van deze oevers afgestemd. Soms ook wordt het optimisme
gevoed door het toeval; na de beruchte droogte van zomer
2003 werd de hoofdwatergang langs de Noordkade, tussen
Polder van Biesland en Dobbeplas, afgedamd. Waarschijnlijk
door het wegvallen van de stroming in de watergang nam de
populatie Krabbescheer in de sloot explosief toe, en ook nu
de tijdelijke afdamming in de sloot is weggegraven, lijkt de
prachtige vegetatie zich te kunnen handhaven. De sloot
herbergt een rijke natuur en bovendien een feestelijke
aanblik, waarop ook de waterbeheerder trots kan
zijn. De KRW heeft nu al in het
Nederlandse waterkwaliteitsbeheer voor een impuls gezorgd.
Het besef dringt door dat de vrijblijvendheid van
doelstellingen tot het verleden behoort en dat er
aangestuurd moet worden op resultaten. Iets van deze
urgentie wordt ook in dit beleidsplan
weerspiegeld. Nauw aansluitend bij de
opmerkingen in de voorgaande paragraaf, benadrukken we wat
we ook al in commentaren op voorgaande waterbeheersplannen
van Delfland hebben betoogd: het inzetten op zodanige vormen
van inrichting en beheer dat ecosystemenen zich kunnen
ontwikkelen, is niet slechts van belang voor natuurstudie en
aanverwante recreatie. Het inzicht dat die veelsoortige
levensgemeenschappen nodig zijn om vitale processen in onze
landschappen te vervullen, wordt steeds breder gedeeld. In
het onderliggende document "Analyse menselijke belasting en
effecten" wordt op p. xi de vinger gelegd op de
belangrijkste hindernis voor het realiseren van de
kwaliteitseisen van de kaderrichtlijn. We citeren:"De
hydromorfologische ingrepen die als belangrijkste probleem
worden gezien voor de waterkwaliteitsdoelstellingen voor de
chemische en ecologische toestand, zijn allereerst het
actief en onnatuurlijk peilbeheer, gevolgd door een
onnatuurlijk profiel en oeververdediging. Ook de aanvoer van
gebiedsvreemd water en traditioneel klein en groot
mechanisch onderhoud zijn ingrepen met een significant
effect." Met die vaststellingen zijn vanzelfsprekend de
(diffuse) emissies en milieubelastingen van binnen en van
buiten het Delflands gebied niet minder belangrijk geworden,
maar het geeft wel aan dat de traditionele opvattingen van
inrichting en beheer een slecht uitgangspunt vormen om met
de onwelkome belastingen van onze oppervlaktewateren om te
gaan. De waterplannen behoren tot
de successen van Delfland. Waterplannen met gemeenten lijken
een effectieve planvorm te zijn om wateropgaven ook bij
gemeenten een vast aandachtspunt te maken. Hoewel de
waterplannen van Den Haag en van Delft achterlopen op de
oorspronkelijke planning, is de richting waarin de
uitvoering zich beweegt, alleszins bemoedigend. Het verwondert ons in dit
verband dat het waterplan voor de gemeente
Pijnacker-Noordorp waarin Delfland participeert, niet - of
althans niet expliciet - aanknoopt bij de waterkansenkaart
van Delfland, die Delfland in 2004 vaststelde. Het was de
"bedoeling dat de Waterkansenkaart actief wordt gebruikt
door de partners in de ruimtelijke ordening", zo staat er in
het waterbeheersplan, maar dat "actieve" in dat waterplan
dus ver te zoeken. Daarmee wil overigens nog niet gezegd
zijn dat dit specifieke plan een slecht waterplan zou zijn,
als eerste verkenning zou het zelfs in die gemeente heel
goed kunnen werken, maar de afstemming met Delflands' beleid
komt zo wel in de lucht te hangen. Onder dit hoofdje
rangschikken we voor het gemak ook maar een opmerking over
Integraal Ontwikkelingsplan Westland (IOPW). Wij meenden te
weten dat Delfland in die ontwikkeling participeerde
teneinde in de benarde Westlandse waterhuishouding enige
ruimte te kunnen scheppen, maar merkwaardig genoeg vinden we
van de gebiedsspecifieke initiatieven in de nota niets
terug. Is het IOPW op dood spoor, of preciezer, wat speelt
die planfiguur nog voor rol bij ABCDelfland? Onze aantekeningen bevatten
nog tal van kritische kanttekeningen op het gebied van
diffuse bronnen, over de aanvechtbare Delflandse opstelling
over het Kierbesluit, over de al te kunstmatige aanvoer van
schoon zoet water uit het Brielse Meer en over de
onvoldoende relatie die met de deelstroomgebiedsvisie
Midden-Holland wordt gelegd, en over de gevolgen van de
mogelijke stopzetting van de diepwateronttrekking door DSM.
Wij hopen dat zich nog gelegenheden voordoen om erop terug
te komen. Vertrouwend u van dienst te
zijn geweest, Met vriendelijke
groeten, namens de Initiatiefgroep
Natuurbeheer in Delft, Jacques Schievink netplek
Initiatiefgroep Natuurbeheer in Delft
| ind@datadelft.com
Hoogheemraadschap
van Delfland
Aan
het college van dijkgraaf en hoogheemraden van
het hoogheemraadschap van Delfland
Postbus 3061
2601 DB DelftRealiseren en
intensiveren
Peilbeheer
Natuur en
waterschap
Europese Kaderrichtlijn
Water
Waterplannen
Slot